|
DAGBOEK SURINAME - 18 (11112013) Zondag 25 augustus 2013 – Paramaribo – Groningen – Nieuw Nickerie. Nogmaals de vraag “wat hebben we hier te zoeken?” In een plattelandsdorp met een paar duizend inwoners, een welvarend plattelandsdorp met een overwegend hindoestaanse bevolking. Een dorp met grotestadsneigingen: op één kruispunt staat een werkend verkeerslicht, maar verkeer ho maar. Naast het keurige hotel met dunne tussenwanden ontdek ik gelijk al een voortuin met een huisaltaar waarin een beeld van de godin Shiva staat, maar op de parkeerplaats er tegenover staat dan wel weer zo´n veelbetekend bord “VERBODEN TE PLASSEN ER ZIJN TOILETTEN”. Er rest voor het donker wordt nog een bezoek aan de zeedijk “vanwege de zonsondergang” en de hindoetempel aan zee. Het meest interessante van de zeer Nederlandse zeedijk is de overkant waar in Guyana de suikerraffinaderij zichtbaar volop in bedrijf is. Waarom kan dat aan de Surinaamse kant toch niet, waarom staat daar die langzaam in elkaar zakkende failliete rijstpellerij van de SML? Na een omweg langs de ceremoniële Hindoecrematieplaats - op zondag gesloten – blijken we onderweg naar de tempel opeens te moeten uitstappen om naar de een stuk verderop gelegen tempel te lopen. De avond begint al te vallen. Morgen is de volgende zonsondergang, maar geen Hindoetempel meer, die wil ik nog bij het resterende daglicht bekijken en fotograferen. Derhalve blijf ik gewoon in de bus zitten en wordt vervolgens keurig bij de tempel afgezet. Die heeft qua architectuur, maar vooral door de aan de buitenkant gebruikte “zoete” kleuren, een hoog suikertaart gehalte. Hoewel het in de ogen van sommigen wellicht van weinig respect getuigt om het bedehuis op deze manier te beschrijven, is het gewoon niet anders. Het gebouw ligt prachtig op de kruin van de dijk met uitzicht op de monding van de rivier en de Atlantische Oceaan. Naast de tempel staan twee paviljoens met totaal verschillende altaren, geschonken door dankbare families. Aan het water staat een op een theehuisje lijkend paviljoen met een groot beeld van Shiva erin die in een lotusbloem op een krokodil zit. De krokodil is het vaartuig waarmee de godin zich op het water verplaatst, zo lees ik naderhand. Als ik de mij inmiddels vergezellende chauffeur naar de beelden in en om de tempel vraag, krijg ik het weinigzeggende antwoord van “daar doen wij niet aan”. Toch is hij een hindoe, maar blijkt van de sobere richting te zijn die niets opheeft met beelden in hun tempels, bijna Calvinistisch. Tegelijkertijd opent hij mijn ogen voor de twee stromingen die er binnen het Surinaamse Hindoeïsme bestaan: de Sanathan Dharm en de Arya Samaj. De laatste is de “sobere” stroming. We bezoeken dus een Sanathan Dharmtempel met koepelvormige torens in de vorm van grote sjalotten waar vanzelfsprekend het Om- of Aun-teken bovenop staat. Zo'n groot cijfer 3 met een halfopen 0 erachter en een dakje met een punt er bovenop. Of een trihsula, de drietand, het symbool van Shiva, de godin met de vier armen wiens beeldtenis zowel voor de tempel op de dijk staat, als in een glazen vitrine op het dak. En de cobra natuurlijk, een grote cobra voor de tempel en kleine cobra's op de balustrade die de vitrine op het dak afschermt. Als mij wordt uitgelegd dat Shiva ook vaak met die slang om haar nek wordt afgebeeld, moet ik gelijk aan het stadje Ouidah in de West-Afrikaanse republiek Benin denken, het centrum van de Voodoo. Bij dat geloof is de python de heilige slang. Zo maar uit het niets wordt achter mijn ogen het beeld geprojecteerd van mijn Nigeriaanse geliefde die daar in een voodoo-tempel – gelegen tegenover de katholieke kathedraal - stoer de “tempelpython” om haar nek drapeerde. Maar háár aanbidden? Nee, dat doe ik al heel lang niet meer. wordt vervolgd |