DAGBOEK SURINAME - 21 (25112013)

Dinsdag 27 augustus 2013 – Paramaribo – Moengo – Albina – Christiaankondre.
De tegenstelling tussen Moiwana en Albina is enorm. Van een spookdorp met onbewoonde nieuwe huizen, naar de bijenkorf van het aan de Marowijne gelegen grensdorp. Aan de overkant is Saint-Laurent te zien, een niet aflatende stroom korjalen onderhoudt de verbinding tussen beide. Geen grenscontroleurs aan deze kant, de officiële grenspost ligt namelijk wat verder naar het zuiden en kennelijk worden je papieren alleen daar maar gecontroleerd. Je moet het dus echt graag willen, hetzelfde was ook al het geval bij de grensrivier met Guyana. Ons vervoer over het water naar Christiaankondre – het dorp is niet over land te bereiken - laat op zich wachten, we doden de tijd met het drinken van ijskoud Parbobier en het eten van cassavechips, net als bacovenchips en de chips gemaakt van de broodboomvrucht een populaire snack. Al doende pakken we onze bagage waterdicht in, omdat er is gewaarschuwd dat we hoe dan ook nat zullen worden tijdens de tocht naar onze eindbestemming die dicht bij de monding van de rivier, dus dicht bij de Atlantische Oceaan ligt. Dat is af te zien aan de piaka, de houten boot die ons gaat vervoeren. Die is breder en heeft niet zo'n puntige boeg als een korjaal en is daardoor beter bestand tegen het onstuimiger water dichter bij de oceaan. De bagage gaat onder zeil en blijft kurkdroog, ik zit achterin de open piaka en word dankzij het overwaaiende buiswater zeiknat. Degenen die voorin zitten, blijven eveneens kurkdroog.

Christiaankondre is een inheems dorp aan de rivier niet al te ver van Galibi, waar zeeschildpadden hun eieren op het strand komen leggen. Volgens onze reisorganisatie is dat dé grote attractie van deze bestemming, men heeft echter “vergeten” er bij te zeggen dat in deze tijd van het jaar “het legseizoen” al ruim voorbij is. Bovendien heeft iemand ons verteld dat de accommodatie nog slechter zou zijn dan die van de bijna sloppenwijk hoog op de Brownsberg. Nee de laatste lange trip buiten Paramaribo lijkt steeds minder aantrekkelijk te worden en wordt door mij vooralsnog met weinig enthousiasme gemaakt. Eenmaal weer aan de wal valt het reuze mee, ruime kamers met toilet en douche, goed eten, 24 uur elektriciteit. Een beetje saai, dat wel, die inheemse cultuur voor zover wij die mogen zien. Na de maaltijd en de siësta de onvermijdelijke wandeling door het dorp, een verplicht bezoek aan de souvenirwinkel – niemand koopt iets – en een stop bij de inheemse dierentuin van niets. Wat een schandalige toestand is dat. Veel te kleine getimmerde hokken, vrijwel geen dieren en een verplichte bijdrage voor de voeding. De voeding van wie eigenlijk? Slimme handel, bedenk ik cynisch. Het positieve nieuws is dat de verkenners eerder vandaag sporen van zeeschildpadden hebben ontdekt en dat er wellicht een of meerdere late leggers aan wal zijn gegaan, we gaan vannacht in ieder geval op pad om te kijken of er nog wat te beleven valt.

Ook al zien we geen schildpad, de avond is voor mij bij voorbaat al geslaagd. We vertrekken in het vrijwel pikkedonker. Vaag maanlicht, het geklots van het water, aan de Franse kant de lichten van de dorpen, aan de Surinaamse oever geen lichtje te zien, het gejakker van de buitenboordmotor. Regenponcho's aan, zwemvesten om, de deining van de oceaan, overkomend buiswater. Na de natte ervaring van vanmiddag ben ik voorin gaan zitten, het maakt weinig uit. De bootsman schijnt met een sterke lamp langs de kust, ik voel me zoals een gedesoriënteerde asielzoeker die de clandestiene oversteek maakt naar de Canarische Eilanden of naar Lampedusa zich moet voelen: een boot vol mensen, matig op mijn gemak omdat ik niet weet wat er gaat komen, geen papieren op zak - “beter thuis laten” - die je identiteit aantonen, de golfslag die de boot soms dusdanig laat schommelen dat je denkt dat die bij de volgende golf zal omslaan. Plots opgewonden geschreeuw, lichtsignalen vanaf de wal, de boeg wordt gewend. We varen tot dicht onder de kust, stappen overboord en waden de laatste meters door het water naar het strand, de boot keert om en vaart weer weg...... Daar houdt iedere vergelijking op, want de boot gaat in iets dieper water liggen om ons later weer op te pikken en iemand aan de wal vangt ons op om de weg te wijzen. Lederschildpadden en soepschildpadden komen hier hun eieren leggen, de verkenner heeft een eenzame lederschilpad ontdekt die inmiddels aan “fase 3” van het legproces is begonnen. Fase 1 = aan land gaan, legplek zoeken. Fase 2 = kuil graven, eieren leggen, Fase 3 = kuil camoufleren, terug naar zee. Daar ligt zo'n enorm beest in het donker, die de eieren al deels heeft afgedekt met zand en takken en met haar flippers bezig is er nog meer zand overheen te meppen. Of het helpt zal ze nooit weten, want ze sleept zich na gedane arbeid terug naar de oceaan en verdwijnt in het water. De kans dat die eieren ooit uit zullen komen en de schildpadjes die worden geboren de zee zullen bereiken, is volgens de gids niet al te groot omdat veel van de nesten hier worden leeggeroofd door zwerfhonden en ander wild.

wordt vervolgd