DAGBOEK SURINAME - 23 (10122013)

Woensdag 28 augustus 2013 – Christiaankondre – Langamankondre - Christiaankondre.
“Kunnen we niet even bij hem langs gaan”, daag ik de gids uit nadat hij diverse geneeskrachtige planten heeft aangewezen en heeft bevestigd dat de dorpen een traditionele geneesheer hebben. Dat, zo is ons al een paar keer verteld, is een “beroep” dat verloren dreigt te gaan door de komst van medische posten. Het kennismaken met de lokale cultuur, het doel van de dorpswandelingen, blijkt zo zijn beperkingen te hebben. “Daarvoor moet je weken van te voren een afspraak maken”, is de dooddoener. We worden wel meegesleept naar de toko waar hij “toevallig” een telefoonkaart moet kopen en naar het slecht onderhouden Zeeschildpaddeninformatiepunt van het World Wildlife Fund, met wederom een opvallende waarschuwing die de dorpelingen probeert af te houden van het opgraven en eten van versgelegde schildpadeieren. Zo'n schildpad legt in één ruk tot 150 eieren, dat zijn natuurlijk aardig wat smakelijke omeletten. We worden bijgepraat over de voorkeur voor een Kapitein – het gekozen dorpshoofd - die wat heeft doorgeleerd omdat hij immers in woord en geschrift moet kunnen communiceren met Paramaribo en dat hun Kapitein op een gegeven moment heeft besloten om het toerisme naar de dorpen in eigen hand te houden. Dat is een verstandig besluit geweest dat voor werkgelegenheid en dus inkomsten zorgt voor de eigen bevolking in plaats van de reisagenten in de hoofdstad. “Die mensen willen alles zelf doen”, had de vertegenwoordigster van de reisorganisatie al geklaagd toen het busje voorreed bij het hotel in Paramaribo, “ze verkopen alleen maar alles inclusief trips, anders kom je het dorp niet in”. Slim ook zijn de vrouwen die het deel van de opbrengst van hun kostgrondje dat niet nodig is voor eigen gebruik, “duur” verkopen op de markt van Saint-Laurent en met de daar verdiende Euro's inkopen gaan doen in Albina waar alles veel goedkoper is. En dat zonder waarschijnlijk ooit te hebben geleerd hoe “arbitrage” functioneert. De Kapitein schijnt eveneens de rust en vrede en de netheid in het dorp te bewaren, hetgeen overigens niet voorkomt dat we een erf bezaaid met lege flessen, blikjes en wat dies meer zij passeren van een “gezin dat eens tot de orde zou moeten worden geroepen”. Zo ook wordt de luide hiphopmuziek die van veraf is te horen genegeerd en worden we voor het in de gaten te hebben al weer teruggeleid naar onze verblijfplaats. Helaas zonder iets noemenswaardigs te hebben gezien of bijgeleerd. Er blijft niets over dan de rest van deze dag uit te kijken naar de dag van morgen, de dag dat we zonder het van te voren wisten opnieuw een kort bezoek zullen brengen aan Frans-Guyana, aan Saint-Laurent du Maroni, berucht vanwege het voormalige gevangenenkamp.

Donderdag 29 augustus 2013 – Christiaankondre – Saint-Laurent du Maroni - Albina - Paramaribo.
Tijdens het ontbijt meldt de partner van de reisgenote die gisteren boombladeren meekreeg tegen het snurken – in het kussensloop doen en het is voorbij – dat het helaas niet heeft gewerkt. Misschien was de dosis niet goed of is onze gids onvoldoende geschoold op dit gebied. Barrekening betalen, bagage waterdicht inpakken en inladen, door het water naar de piaka en dan met vnatte voeten vol verwachting onderweg naar de overkant. Net voor het afmeren verschijnen een paar opvallende “eilandjes” in beeld: twee verroeste scheepswrakken die lang geleden op de vlak voor de oever gelegen zandbanken vastliepen en nooit werden geborgen. Beide zijn in de loop der tijd totaal “bebost” geraakt en hebben nu heel ludiek wel wat weg van drijvende tuinen. Eén ervan, de Edith Cavell, ligt hier al sinds november 1924. De piaka hoeft niet met de punt op een oever te schuiven om ons van boord te laten gaan, in Saint-Laurent ligt een keurige drijvende aanlegsteiger in de rivier, het eerste teken dat we in een totaal andere wereld zijn beland. In Albina, dat je aan de overkant kunt zien liggen, is het druk op straat en in de winkels, Albina lijkt sprekend op een rommelig West-Afrikaans grensdorp waar een lichte vorm van anarchie heerst. Saint-Laurent is daarentegen la Douce France. Het is er schoon, er heerst orde en netheid, het is er veel te rustig, het ziet er strak georganiseerd uit, maar het is ook wel even wennen na de opgewonden Surinaamse drukte.

Hoe anders moet het er hebben uitgezien toen hier nog het hoofdkwartier was gevestigd van de Franse strafkolonie waar de transportschepen met gevangenen arriveerden en het Camp de la Transportation volop in bedrijf was. Een doorgangskamp waar de uit Frankrijk gearriveerde veroordeelden werden doorgestuurd naar werkkampen – suikerriet en bananenplantages, aanleg van wegen en spoorwegen – of, indien ze een “cheval de retour” waren – een recidivist of een opgepakte ontsnapte gevangene naar één van de gevangeniseilanden voor de kust van waaruit ontsnappen onmogelijk werd geacht. De Franse overzeese strafkolonies waren trouwens een “uitvinding” van Napoleon III die vond dat de gevangenispopulatie van ongeveer zesduizend mensen de Franse staat teveel geld kostte. Dwangarbeid leek hem een goede, meer humane en goedkope oplossing, die gelijktijdig de Franse koloniale aspiraties zou kunnen ondersteunen. Aldus ontstond de penitentiaire inrichting Saint-Laurent du Maroni, die in 1858 officieel in gebruik werd genomen, in 1938 vond het laatste transport van 666 veroordeelden plaats, het kamp werd in 1946 gesloten.

wordt vervolgd