DAGBOEK SURINAME - 27 (27122013)

Vrijdag 30 augustus 2013 – Paramaribo – Fort Nieuw Amsterdam – Mariënburg – Paramaribo.
Polderwegen, kleine dorpen, voormalige plantages, zoals Jagtlust, Meerzorg en de Hulp, waarvan de grond wordt verkaveld, wordt bebouwd of bouwrijp wordt gemaakt. De rust van het platteland met op de andere oever de contouren van Paramaribo. Een eenvoudige richtingaanwijzer: linksaf FORT NW. AMSTERDAM, rechtsaf MARIËNBURG. Eerst naar links, waar opnieuw extra kennis van de vaderlandse geschiedenis kan worden opgedaan, het suikergoed bewaren we voor vanmiddag. Het stervormige fort is duidelijk herkenbaar als een vaderlandse versterking, vestingsteden in Nederland werden volgens vrijwel hetzelfde plan gebouwd. In mijn ogen althans. Het eindontwerp was tenslotte van de hand van Ingenieur Desroques, de directeur-generaal van 's lands fortificaciën. Het fort ligt zeer strategisch op het punt waar vlakbij de Atlantische Oceaan de Commewijne en de Surinamerivier samenvloeien. Zodoende konden de verder stroomopwaarts aan de oevers van beide rivieren gelegen plantages tegen aanvallen door zowel de Engelsen als de Fransen worden beschermd. Opdracht tot de bouw werd gegeven door Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname, een privé-onderneming die tot doel had geld te verdienen met het beheer van de kolonie Suriname en dat tot aan haar opheffing in 1795 zou trachten te doen. De aandeelhouders waren de West-Indische Compagnie, de familie van Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. Ieder bezat een derde van de “aandelen Suriname”, de kosten en baten werden gelijkelijk verdeeld. De Sociëteit was verantwoordelijk voor de aanvoer van slaven, de werving van planters, de verdediging en het bestuur van de kolonie. Het wapen in de timpaan van het Presidentiële paleis in Paramaribo is dat van de Sociëteit en niet van de WIC, zoals ik eerst dacht.

De eerste steen werd in 1734 gelegd, dertien jaar later was het fort klaar. Tijdens de bouw ging van alles mis en na de ingebruikname zou het een redelijk overbodig vestingwerk blijken te zijn. In 1863 werd het een gevangenis voor langgestraften, in 1907 het bestuurscentrum van het District Commewijne, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het door de Verenigde Staten versterkt en bewapend om de bauxietwinning te beschermen tegen mogelijk Duitse aanvallen. In 1942 werden er in de voormalige slavenverblijven van NSB sympathieën verdachte landgenoten uit Nederlands-Indië geïnterneerd, in 1967 werd de gevangenis opgeheven om vervolgens te worden omgetoverd tot een een openluchtmuseum dat beslist de moeite waard is. Het is een keurig onderhouden groene oase die is gevuld met herinneringen aan de koloniale tijd. Zo kan je hier mooi de ontwikkeling van het geschut sinds de ingebruikname van het fort tot en met het midden van de 19e eeuw zien, de gegoten kanonnen werden steeds groter en steviger. Ondanks dat het geen verdedigingswerk meer was, staat er wel een kanon met het Koninklijke wapen erop dat in 1878 in Den Haag werd gegoten. De door de Amerikanen geïnstalleerde kanonnen zijn de lelijkste, maar waarschijnlijk ook de meest effectieve. Allemaal bij de boedelscheiding van 1975 toegewezen aan Suriname of gewoon achtergelaten omdat het niet de moeite waard was om mee terug naar huis te nemen. In het fraai gerestaureerde oude Kruithuis is de leerzame expositie “Opdat wij niet vergeten” ingericht die aandacht besteedt aan de Surinaamse oorlogsveteranen van de Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse oorlog. Een film met getuigenissen van veteranen én met beelden van een gebouw met de hakenkruisvlag in Paramaribo en de net door de bemanning tot zinken gebrachte SS Goslar. Een stoer optredende gouverneur die iedereen die de Duitse nationaliteit had liet oppakken en interneren in Kamp Copieweg – een RK internaat bij Lelydorp – inclusief de Hernhutter zendelingen en een aantal uit Duitsland voor de Nazi's gevluchte Joden. De lul! Feiten die bij de lessen Vaderlandse Geschiedenis die ik tijdens de Koude Oorlogsjaren kreeg, niet aan de orde kwamen, noch in de lesboeken stonden.

Onderweg naar de voormalige gevangenis lopen we langs de door de Amerikanen gebouwde bunkers, een recente gevechtswagen en een koetshuis met wat begrafeniskoetsen, witte en zwarte. De zwarte koetsen werden gebruikt voor het begraven van de armen, de witte voor de doden die beter bij kas hadden gezeten. Achter de zwarte wagen mocht geen lijkstoet meelopen, achter de witte wel, de regelneven moesten uiteindelijk bewijzen dat ze voor hun salaris een tegenprestatie leverden. In het gazon staan grote roestige suikerpannen of kappa's als decoratieve elementen – zo lijkt het althans – de pannen die werden gebruikt om het sap van het suikerriet tot suiker te koken. En wat daar als vanzelfsprekend bijhoort, is de schijnbaar onopvallend in het gras ingemetselde met een opkomende zon gedecoreerde en met sierlijke letters beschreven fundatiesteen van plantage de Dageraat: Deeze Plantagie is door den Edelen Gestrengen Heere G A D de Graaff den 7den May 1707 begonnen, en in den Jaare 1786 tot een Zuiker Plantagie aangelegt. De Surinaamse schrijver Edgar Cairo, wiens voorouders slaven waren op de Dageraat, schreef een toneelstuk over een slavenopstand in 1763 met de titel “Dagrati!Dagrati! Verovering van de Dageraat”. De datum op de steen spreekt echter boekdelen over wat die verovering uiteindelijk opleverde: niets.

wordt vervolgd