DAGBOEK SURINAME - 29 (04012014)

Vrijdag 30 augustus 2013 – Paramaribo – Fort Nieuw Amsterdam – Mariënburg – Paramaribo.
Aan de andere kant van het gevang een polderplaatje: een sluis, een ophaalbrug, een lichtschip met rode kiel dat hier aan de grond is gezet en ligt weg te roesten. Suriname-Rivier heet het, een van de eerste stalen lichtschepen die in Nederland werden gebouwd, in 1910 te water gelaten in Haarlem, in 1972 afgedankt. Na nauwelijks zeventig jaar overbodig geworden door de technologische vooruitgang. In Nederland is de Vuurtoren Vereniging een actie gestart om het schip van de totale ondergang te redden, het zou een uniek maritiem monument zijn. De auto staat te wachten op alweer zo'n monumentenplein waarop men hier dol schijnt te zijn. Het eenvoudige monument om de onafhankelijkheid te herdenken, doet uiterst Calvinistisch aan in vergelijking met de andere twee. Een suikerpan met een anker erin – gelukkig wel in de nationale kleuren – en twee slippers van een paar meter hoog hebben enige uitleg nodig. Op de voet van de suikerpan een verklarende tekst op een steen: “FREE SRANAN” Verankerd in de suikerpot: de Kapa ben ik niet teruggegaan: Afrika, China, India, Indonesia, Blanda... Berustend in het lot van het leven, gekozen voor dit mooi land: Switie Sranan. Een vrije en welvarende toekomst strevend, vrij van alle katibo. Mi lobi wang”. Een liefdesverklaring aan Suriname ter gelegenheid van de viering van de 35ste verjaardag van de onafhankelijkheid. Wat een bof dat er op die twee slippers – het monument heet TIP TIP en is ontworpen door de kunstenaar George Struikelblok – een meer dan educatieve verklaring is genageld door de sponsor: de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden, die het een en ander uitlegt. Nederlandser kan het niet.

Het heeft allemaal te maken met het traditionele schoeisel van de Javanen, de teklé, dat met de eerste contractarbeiders meekwam naar Suriname. “Als schoeisel werd de teklé, een slipper met een houten zool met balatarubber erover heen, meegebracht. Balatarubber is een rubber gemaakt uit een mengsel van melksap en hars afkomstig van de bolletrieboom. In die tijd was het kopen van schoeisel in Suriname onbetaalbaar, waardoor de teklé al heel gauw werd overgenomen door de andere bevolkingsgroepen, waaronder Creolen en Hindoestanen. Balatarubber werd vervangen door de buitenband van een fiets. In de volksmond werd de teklé tip tip genoemd, dit gezien het geluid dat het maakte tijdens het lopen”. Het wordt voortdurend donkerder, er dreigt een flinke regenbui, de weergoden hebben nog steeds niet door dat de regentijd al bijna een maand voorbij is. Vreemd overigens dat het in het binnenland wel droog was, maar dat het dichter bij de kust gewoon iedere dag blijft regenen. Voor dat de bui gaat vallen, snel even naar de samenvloeiing van de Surinamerivier en de Crommewijne kijken, “een must” volgens onze begeleiders. Tja, maar wat zie je aan zo'n brede plas water als je er op gelijke hoogte naar kijkt? Plichtmatig kijk ik mee, doch vind er niets aan. Wat mij betreft is de mooiste samenvloeiing van twee rivieren te zien op een heuvel even buiten Lokoja, de hoofdstad van de Nigeriaanse deelstaat Kogi, waar je de Niger en de Benue kunt zien samenvloeien. Hoewel het al weer bijna 15 jaar is geleden dat ik daarop neerkeek. Vanuit Abuja reed ik naar Lokaja met als enig doel het punt te zien waar beide rivieren samen verder naar het zuiden stromen om als één enkele rivier de Atlantische Oceaan te bereiken. Na veel over de Niger te hebben gelezen, er niet te ver van de bron in Mali bij Djenné en Mopti op te hebben gevaren, na zowel in Leiden als in Lagos de tentoonstelling met archeologische vondsten uit de Nigervallei te hebben bezocht, moest ik hier perse naar toe alvorens naar de andere kant van de oceaan te verhuizen. Dankzij de aanwijzingen van een aardige uit Lokoja afkomstige jongedame, wist ik dat je aan de andere kant van het stoffige stadje de weg omhoog moest volgen en op het hoogste punt – hoewel verboden – moest stoppen en genieten van het mooie gezicht op de “confluence” in de diepte. Dat deed ik een half uur lang met volle teugen, het was indrukwekkend en de moeite van bijna vier uur rijden heen en vier uur rijden terug meer dan waard. Sindsdien bekijk ik dit soort natuurverschijnselen dus met andere ogen en ben niet meer zo snel onder de indruk.

Het begint te stortregenen, wij lachen in ons vuistje om de reisgenoten die op de fiets onderweg zijn naar Fort Nieuw-Amsterdam en kletsnat gaan worden. Tijd voor een korte pauze bij de Chinese supermarkt: bananenchips en Parbobier voor ons, Heineken voor onze begeleiders die beiden familie in Nederland hebben wonen. Het loodsmannetje, dat tot nu toe nauwelijks een woord Nederlands heeft gesproken, neemt opeens deel aan het gesprek als het over het bezoeken van familie overzee gaat. “Familiebezoek is verloren tijd!”, stelt hij krachtig vast. Beiden gaan om hun koffers te vullen met spullen die terug in Suriname kunnen worden verkocht en de reis de moeite waard maken. Familiebezoek is slechts het excuus om een visum te bemachtigen, zo begrijp ik.

wordt vervolgd