DAGBOEK SURINAME - 31 (15012014)

Vrijdag 30 augustus 2013 – Paramaribo – Fort Nieuw Amsterdam – Mariënburg – Paramaribo.
Dat die moordpartij uit 1902 nog immer actueel is, blijkt uit meer dan alleen het monument voor de gevallenen. Aan de buitenmuur van een plantagewoning bij de ingang hangt een affiche dat de Surinaamse bioscoop-premičre later vandaag aankondigt van het docu-drama “Het Geheim van Mariënburg” in TBL Cinemas. Een film die over de plantage-opstand gaat. Er komt een wat oudere man van Javaanse afkomst aanfietsen. Hij stopt en overhandigt ons zijn geďmproviseerde, doch keurige, kaartje: Toekijan Soekardi – Gids Mariënburg en neemt ons vervolgens bij de hand. Voordat we het fabrieksterrein opgaan vraag ik hem naar de voortgang van het archeologische onderzoek van Ben Mitrasingh, het blijkt stil te liggen. Regentijd? Geld? En dat terwijl de Nederlandse ambassade er “in principe welwillend” tegenover staat om een financiële bijdrage te leveren? Anderen hadden mij verteld dat er alleen maar een enkele strook land was vrijgemaakt, hetgeen Soekardi logisch vindt. Het is het traject waar de plantagespoorlijn liep aan het einde waarvan de lijken van de neergeschoten opstandige arbeiders zouden zijn gedumpt. Verder doet hij nogal schouderophalend over de speurtocht: “ze vinden toch niks”. Ook dat lijkt logisch omdat de stoffelijk resten met ongebluste kalk werden overdekt voordat het massagraf werd dichtgegooid. Maar goed, het gaat erom de plek van dat graf te vinden om daar een gedenkteken te plaatsen. Die plek moet toch met behulp van luchtfoto's en/of satellietfoto's zijn te vinden?

Uit de 25 jaar geleden gesloten fabriek is alles wat los en vast zat inmiddels verdwenen. Verkocht? Gejat? Of gewoonweg vernield? Van de destillatietoren, de onderhoudswerkplaatsen, het lab, de kantoorruimten staan de buitenmuren nog overeind, de ruiten zijn vrijwel allemaal ingegooid, de ruimtes zijn verder helemaal leeg. De loodzware onderdelen van de suikerrietpersen liggen er nog wel, gewoonweg te zwaar om met menskracht te verplaatsen, vermoed ik. Die pers is gemaakt door WERKSPOOR AMSTERDAM 1921 en ziet er dusdanig solide uit dat die voor eeuwigheid bestemd leek te zijn én het was een innovatief proces, omdat het riet tweemaal werd geperst voor een maximale opbrengst. Treurigheid troef derhalve. “En dat allemaal vanwege een staking voor een paar centen loonsverhoging”, verzucht Soekardi, “toen we het niet eens konden worden, is de fabriek gewoon gesloten en iedereen ontslagen”. Waar suiker is, is rum. Hier werd uiteraard Mariënburgrum gestookt, dat merk werd verkocht aan de buren van ons hotel in Paramaribo, die de grondstoffen nu importeert. Meneer Soekardi heeft een ouderwets schoolschrift bij zich, daarin heeft hij zijn herinneringen opgeschreven, dagrapporten geplakt – op 29 juli 1982 werden er 2.950 liters alcohol met een zuiverheid van ±95% geproduceerd – een etiket uit die tijd met het opschrift “MARIëNBURG, de kurk van Commewijne”, een tekening van de indeling van de percelen van de plantage. En uit zijn broekzak diept hij een handje kroonkurken op met aan de binnenkant een getal, de geldwaarde die ze vertegenwoordigden. Pas maanden later wordt de grote waarde die het schoolschrift heeft duidelijk als de uitgeverij van het Koninklijk Instituut voor de Tropen de publicatie van het boek “Plantage Mariënburg – van koffiebes tot rum” aankondigt: “Nadat plantage Mariënburg in 1988 ophield te bestaan, resteerden slechts herinneringen. Voormalig werknemer en huidige gids op het terrein, dhr. Toekijan Soekardi, schreef de zijne op met potlood in een schrift met de titel: Na het zoet het zuur. Hij illustreerde zijn memoires met tekeningen van de beelden zoals die in zijn hoofd nog bestonden. Alsof het gisteren was. Een belangrijk cultuur-historisch document laat hij ermee na”. Als souvenir krijgen wij een origineel etiket van een pak Mariënburg suiker van hem mee!

Eveneens na thuiskomst, gaat op het Nederlands Film Festival “Hoe duur was de suiker” in premičre, de verfilming van het gelijknamige boek van Cynthia McLeod. De blijvende sporen die de suiker en deze plantage al hadden achtergelaten, worden zo waar aangevuld met verse alsof het om een cold case investigation gaat. Bij Pauw en Witteman schuift regisseur Jean van de Velde aan voor een vraaggesprek, hij kwam vijf jaar voordat het onafhankelijk werd in het voormalige Belgisch Congo ter wereld. Van de Velde wekt de indruk daardoor een ervaringsdeskundige te zijn voor wat de uitbuiting van de zwarte medemens betreft. Hij begint met te verklaren dat zwarte mensen zo lekker ruiken en blanken een beetje zurig. Ja, Jean in een tropisch land moet je je nu eenmaal meerdere malen per dag douchen en verschonen, de oksels goed met deodorant behandelen en niet te zuinig zijn met de eau de toilette en after shave want anders ga je inderdaad zurig ruiken. Volgens zijn zeggen is de film een romantisch drama tegen de achtergrond van de slavernij. De recensies zijn dusdanig slecht, dat de film in minder dan geen tijd weer uit de bioscoop is verdwenen. Parool: ”Hoe duur was de suiker gaat niet over slavernij, maar over de ravage die een kwaadaardige femme fatale aanricht” en bij NU.nl vindt men: “Slavernijdrama probeert een authentieke sfeer neer te zetten, maar wordt genekt door soapy dialogen”. Aggut, hoofdrolspeler Kees Boot onthult dat hij wel kan janken bij het lezen van de slechte recensies, terwijl degenen die waren onderworpen aan het plantagesysteem hun verdriet eeuwenlang hebben moeten verbijten.

wordt vervolgd