DAGBOEK SURINAME - 33 (20042014)

Paaszondag 2014 - Buenos Aires - Mijmeringen achteraf
Na het lezen van de eerste afleveringen van dit dagboek wijst mijn letterlijk en figuurlijk verre neef Han mij er zeer terecht op dat in onze stamboom sprake is van een familielid die tussen 1842 en 1845 samen met zijn gezin naar Suriname vertrok als “kolonist”. Net als mijn vader en grootvader was hij geboren in Rhenen en gedoopt in de Cunerakerk, doch ver van huis op 20 januari 1847 overleden in de kolonisatie Groningen te Saramacca. In diezelfde Cunerakerk werd in het doopregister onze achternaam vele malen verbasterd voordat in 1811 de Burgerlijke Stand in Nederland werd ingevoerd. Zodoende heette deze voorzaat Gerrit de Rooder, Gerrit zoals mijn grootvader die overleed voordat ik werd geboren. Deze Gerrit, voordien tabaksplanter te Elst, moet door een van de dominees die op het idee waren gekomen om arme Groningse en Gelderse boerengezinnen naar het Surinaamse Groningen te laten verhuizen, zijn overtuigd om met vrouw en kinderen op de boot te stappen. Daarna werd nooit meer iets van hen vernomen. Adriaan P. de Kleuver, een andere verre neef die onze stamboom samenstelde, meldt droogjes dat “het hele gezin aan malaria is gestorven”. Het is waarschijnlijker dat ze slachtoffers werden van de tyfus-epidemie die het overgrote deel van de net aangekomen immigranten trof. Maar goed, het onderzoek werd meer dan 50 jaar geleden uitgevoerd, lang voordat het internet zijn intrede deed en het bezit van koelkast of een auto “iets voor rijke mensen” was. Het eindresultaat van jaren genealogisch onderzoek werd vermenigvuldigd met behulp van een stencilmachine omdat fotokopieerapparaten in de jaren 50 van de vorige eeuw nog nauwelijks beschikbaar waren. Belangstellende familieleden konden een exemplaar van die stamboom kopen en mijn vader kocht ook nog eens een door de auteur getekend familiewapen. Gesigneerd met zijn initialen APK..... Vol trots en soms met rode oortjes lazen we het werkstuk vele malen, wij hadden een echte stamboom die honderden jaren terugging inclusief een in Suriname verdwenen familielid!

Al vele jaren heerst er een zeer hedendaagse ziekte in Suriname: goudkoorts. De gevolgen daarvan zijn zowel zichtbaar als onzichtbaar. Op de rivieren in het industrieloze binnenland waarschuwde de gids herhaaldelijk om geen rivierwater te drinken, terwijl dat er zo helder uitzag en fris aanvoelde. Door illegale mijnbouw en het zuiveren van het goud met kwik is veel van het oppervlaktewater behoorlijk vervuild. En kwik kan je maar beter niet binnenkrijgen, dat schijnt de goede werking van de darmflora behoorlijk te kunnen verstoren. Zelf zagen we en liepen we dwars door de kaalslag in het Brownsberg Natuurreservaat, waar in 2011 maar liefst 50 illegale goudmijnen werden opgespoord en gesloten. In Paramaribo kom je langs de winkels van de goud-opkopers, vooral Brazilianen, net zoals veel Brazilianen in de illegale mijnen werken. Wat mij ooit in de Gabonese hoofdstad Libreville overkwam, herhaalde zich – helaas ?– niet. Daar werd mij ooit op kantoor een fles – formaat Gordon's Gin – gevuld met goudkorrels aangeboden, “gouden handel” volgens mijn geliefde. Toch zag ik het niet zitten om met zo'n fles in mijn koffer naar Europa te vliegen en daar een koper te gaan zoeken en liet een “gouden kans” lopen. De “Wij kopen uw Goud” winkels aan de Rotterdamse West-Kruiskade en Middellandstraat bestonden in die tijd nog niet.

De mooie grote blauwe vlinder, de morhpho menelaus oftewel de blauwe morpho, is voor mijn reisgezel en mij aanleiding tot het opfrissen van vooral mijn herinnering. “Jullie hadden in Engeland toch dienblaadjes en zo met de vleugels van die vlinder?” Het was compleet weggezakt en is ineens weer terug. In de eerste helft van de jaren 80 van de vorige eeuw werkte ik in Londen en woonde met mijn gezin in het Graafschap Surrey. Mijn reisgenoot was daar met zijn gezin een regelmatige bezoeker, hetgeen bij gebrek aan slaapruimte soms zelfs werd opgelost met kamperen in de ruim bemeten tuin. Tijdens de weekeinden bezochten we antiekmarktjes en veilingen en verzamelden van alles en nog wat: klokken die alle kwartieren sloegen met het geluid van de Big Ben, boeken, beeldjes van vogels, Hummel beeldjes en inderdaad sieraden en dienblaadjes die waren ingelegd met soms fluorescerende vlindervleugels, vooral veel blauwe. Die objecten waren 1920 en 30 nogal in de mode en zouden uit Brazilië komen. Dat laatste werd ongetwijfeld ingegeven doordat de Pão de Açúcar – de Suikerbroodberg – vaak was afgebeeld. En dat brengt me op Maria Sybilla Merian die 300 jaar geleden naar Suriname trok om er planten en het insectenleven te bestuderen met het doel dat in beeld te brengen en te beschrijven. Haar unieke en prachtig met de hand geïllustreerde boek “Verandering der Surinaamsche Insecten”, waarin ze de transformatie van rups tot vlinder beschrijft, werd in 1705 in Amsterdam gepubliceerd. Er staat een mooie afbeelding van de Blauwe Morpho in, maar het insect dat vooral als de avond valt in Paramaribo hoorbaar aanwezig is, heb ik er niet in kunnen ontdekken: de cicade. Dat behoorlijk luidruchtige insect hoorde ik jarenlang in Rio de Janeiro, alwaar het “cigarra” wordt genoemd omdat het de vorm van een sigarenpeuk zou hebben. Zo heeft mijn neef Arjan mij tenminste wijsgemaakt. En zo werden dankzij een reis door Suriname vervaagde herinneringen nieuw leven ingeblazen, een onbetaalbaar souvenir dat nergens te koop is.

slot