ROOKGORDIJN - 2 (30092014)

In Zuid-Afrika ontdekte ik dat in de halfwoestijn van de Westkaap en de Noordkaap de loop van de rivieren – of er nu water door de bedding stroomde of niet – eenvoudig was te volgen aan de hand van het onregelmatige groene lint dat als een breuklijn door het kurkdroge landschap loopt. Op dezelfde manier is de loop van de Maas in het stukken groenere Noord-Frankrijk te volgen, vaak met op de voorgrond het parallel lopende kaarsrechte kanaal. Als extraatje is er dan de mist die er 's ochtends vaak boven hangt en keurig de meanderende stroom van het water aangeeft. Als je in Saint-Mihiel dat mistgordijn bent gepasseerd, wordt er bar weinig Florentijns onthuld in het “Kleine Florence van Lotharingen”. Het is geen onaardig stadje, in het oog springende pracht en praal ontbreekt echter. De grauwe gevels van veel grote huizen in het centrum duiden eerder op vergane glorie. Hoewel je niet achter de voordeuren kunt gaan kijken om te zien of dit camouflage is om overdadige weelde te maskeren. De abdijkerk, die is gewijd aan de aartsengel Michaël, wekt in eerste instantie dezelfde indruk: vervuilde buitenmuren en verdacht lage doch mooie in de zon schitterende torens. Mijn vermoeden dat die wellicht tijdens de voorbije oorlogen werden gekortwiekt – de leien dakbedekking ziet er mogal recent uit – blijkt onjuist. Wel verdween halverwege de 18e eeuw de spits van de toren boven de ingang, doch de kerk kreeg haar huidige uiterlijk reeds aan het einde van de 17e eeuw. Het voordeel van een kerkgebouw is dat je daar wél op je gemak achter de voordeur kunt gaan kijken, zelfs zonder het aangaan van enige religieuze verplichting.

Een grote kerk – 70 meter diep en 18 meter hoog – met gelijk na de ingang het beeld “La Pâmoison de la Vierge“ van Ligier Richier. Een beeld van notenhout, dat uitbeeldt hoe Johannes de Doper Maria ondersteunt die is flauwgevallen nadat die het nieuws over de dood van Jezus heeft vernomen. We krijgen ongevraagd een toelichting: wat we zien, zijn de resten van een beeldengroep die tijdens de Franse revolutie deels verloren ging. Niet alleen Louis XVI en Marie-Antoinette werden onthoofd, ook de innig met het koningshuis verbonden katholieke kerk – de kardinalen Richilieu en Mazarin waren tijdens de 18e eeuw het equivalent van Eerste Minister – moest een kopje kleiner worden gemaakt. Kerkelijke eigendommen werden geconfisqueerd en het gepeupel keerde zich er tegen, waarbij onder andere deze kerk in brand werd gestoken waardoor een deel van de beeldengroep in vlammen opging. Wat er verder overbleef – vermoedelijk het hoofd van Jezus met de doornenkroon – werd voor zover ik het begreep gejat en zou uiteindelijk in het Louvre belanden. Het is een doorleefd beeld met dezelfde fijne details van de stenen beelden in de kerk van Saint Etienne. Hoe dieper je de kerk inloopt, hoe indrukwekkender het wordt, met als hoogtepunt het koor achter het transept. Omgeven door gebrandschilderde ramen zweeft in de hoogte het met bladgoud (?) beklede beeld van Saint Michel, langs de muur staat een dubbele rij houten stoelen – die erg op bioscoopstoelen lijken – waarop de monniken tijdens de mis zaten. En dan zijn er de grafmonumenten van onder andere de Hertogen van het nabijgelegen Bar le Duc, die bovenal de voornaamheid en de vroomheid van de overledenen uitstralen.

Na de kerken van Saint-Mihiel gaan we op zoek naar het heilige vuur van het een paar uur verderop gelegen Meisenthal. In de nazomer van 2012 zag ik in de Borinage “Le Feu Sacré”, een tentoonstelling van fraaie glaskunst die was geblazen in het Centre International d'Art Verrier. Ter begeleiding werd een interessante docu met dezelfde titel vertoond, waarin de opkomst en ondergang van de glasindustrie in een uithoek van Lotharingen én het recent opnieuw tot leven wekken van de in 1969 gesloten glasfabriek Burgun Schwerer. Dat moest ik met eigen ogen gaan zien, twee jaar later is het dan zover. Dorpen met Duitse en verfranste Duitse namen, architectuur en achternamen van de andere kant van de grens. Bij de entree van het Musée du Verre spreekt men onderling het soort Duits dat je in Luxemburg hoort en tegen ons, uit beleefdheid, Frans met een dik accent. In het kleine museum is te zien hoe de vormgeving en de techniek van het maken van sierglas in de 19e eeuw enorme vooruitgang boekte. De befaamde art nouveau glaskunstenaar Émile Gallé werkte nauw samen met de fabriek uit Meisenthal voor de productie van zijn ontwerpen en het experimenteren met door hem ontwikkelde nieuwe technieken. Hoewel daarvan mooie voorbeelden zijn te zien, ben ik hier eerlijk gezegd niet voor de vazen van Gallé. Ik wil actuele glaskunst zien en de kleurige glazen kerstboomballen die oorspronkelijk in het nabijgelegen Goetzenbruck werden geproduceerd. Het valt reuze tegen. De winkel in de oude glasblazerij heeft een klein assortiment “boules de Noël” dat niet haalt bij wat in de Borinage hing. En uitdagende glaskunst? Ho maar. De ene glasblazer die een saaie vierkante vaas blaast, doet me eerder denken aan de glasblazer die vroeger op de lagere school zijn kunstjes kwam vertonen. Nee, het heilige vuur lijkt alweer te zijn gedoofd, er is zelfs geen pluimpje rook te bekennen. Laat staan een door glasblazende kunstenaars veroorzaakt rookgordijn.

slot