ROUTE LE CORBUSIER - 9 (13092014)

Dag 4 – La Chaux-de-Fonds – Maison Blanche – Maison Turque - Saint-Amour.
Het huis dat Charles-Edouard Jeanneret – vanaf 1920 zou hij verder door het leven gaan als Le Corbusier – voor zijn ouders bouwde, werd in 1919 om onbekende redenen al weer verkocht. Toch niet comfortabel genoeg? Te modern voor die tijd, totaal anders dan de vertrouwde regionale ontwerpen van de buren? Wel lekker licht en luchtig, maar dat telde kennelijk nog niet. Maar het geheim ligt misschien wel verborgen in zijn uitspraak over Maison Jeanneret (Parijs, 1923-24): “Au fait, la maison n'est autre chose que des casiers d'une part, des chaises et des tables d'autre part. Le reste est encombrement...” vrij vertaald: “Een huis is eigenlijk niets anders dan enerzijds kasten en anderzijds stoelen en tafels. De rest doet er niet toe...”. Het huis verwisselde daarna nog vele malen van eigenaar totdat het eerder deze eeuw door de Association Maison Blanche werd gekocht en gerestaureerd. Aan de hand van de originele tekeningen en foto's uit het verleden werd het zoveel als mogelijk teruggebracht in de staat van toen de ouders en Le Corbu er nog woonden, inclusief het meubilair en het behang. Op de zolderverdieping, met een niet te missen uitzicht over de vallei waarin ergens beneden La Chaux-de-Fonds ligt, is een kleine expositie ingericht met onder andere maquettes van dit huis en de Villa Schwob die dichter tegen het centrum werd gebouwd en vanwege de vermeende oriëntaalse details Maison Turque of Villa Turque werd gedoopt. Niet dat deze villa kan worden bezocht, maar een kort filmpje van de Zwitserse televisie onthuld een paar details. En hoe oriëntaals is oriëntaals eigenlijk? Die paar rondingen in een overigens strak gebouw soms? De net afgestudeerde architect had na zijn studie door het lang door de Turken overheerste Midden-Oosten gereisd en was daardoor kennelijk geďnspireerd. Net zoals we eerder vandaag na ons bezoek aan het Maison Blanche als een paar voyeurs om de Villa Fallet, de Villa Jaquemet en de Villa Stotzer heen struinden, zit er bij de Villa Turque ook niets anders op dan dat. Het huis heeft aan de kant waar de voordeur is vrijwel blinde muren en aan de woonkant een hoge muur en bomen die weinig prijsgeven. Jammer, maar als ik er zou wonen, zou ik ook niet geďnteresseerd zijn in pottenkijkers.

Min of meer ter compensatie is er schuin aan de overkant op een buitenmuur een ode aan Le Corbusier te zien in de vorm van een grote muurschildering waarop de meester is afgebeeld in de vorm van een zwarte schaduw. Zo'n beetje als Zorro in een Dali-landschap, een associatie die het gevolg is van het te vaak kijken naar oude Zorro afleveringen op de Argentijnse televisie, het bezoeken van de Catalaanse Dali-huizen en het Dalimuseum en natuurlijk de Boliviaanse Daliwoestijn. Hoewel in het stadswapen van La Chaux-de-Fonds prominent een bijenkorf omringd door nijvere bijen staat, ligt het centrum van de stad er absoluut verlaten bij op deze zaterdag. Gelukkig vinden we een terras dat open is. Niets bijzonders totdat mijn reisgenote terugkomt van een bezoek aan het toilet en mij nadrukkelijk aanraadt dat ook even te doen voordat we weer in de auto stappen. Niet dat ik echt aandrang heb of een overdreven volgzaam type ben, maar nieuwsgierig geworden toch maar de trappen af naar de kelder, waar achter een dikke rode kluisdeur de toiletten zijn. Het restaurant is vast en zeker in een voormalig bankgebouw gevestigd en, zo vraag ik me heel kort af, zou je daar nu desgewenst geld weg kunnen pissen? Mijn vaderlandse DNA verhindert het.......... Terug naar Frankrijk om vast een flink stuk richting Lyon te rijden omdat we morgen naar Firminy gaan, dat even ten zuiden van die stad en vlakbij Saint Etienne ligt. Een ontspannen rit door het deel van de Jura dat Le Doubs heet, met na de bossen en de heuvels, de historische zoutmijnen. Die zien we in het voorbij gaan zonder er al te veel acht op te slaan, we zijn met heel andere dingen bezig. Zoals: bij welke grote supermarkt is de benzine nog goedkoper – 't scheelt soms meer dan een kwartje per liter met Nederland – en de gedecoreerde zinken gevelbekleding van een kerk en de huizen in een dorp waarvan we verzuimen de naam op te schrijven. Dom, dom.

Hoewel we vooraf op de kaart kijkend al hadden besloten om hooguit tot Bourg-en-Bresse te zullen rijden, overtuigt – met nog 50 kilometer te gaan – een reclamebord langs de weg dat Hotel du Commerce in Saint-Amour aanbeveelt ons spontaan om daar te gaan overnachten. Een stadje met een dergelijke naam mag niet worden overgeslagen, zelfs als er geen spoor van Le Corbusier is te vinden. Het hotel ligt aan een groot plein, is overduidelijk lang geleden aan de toen gangbare smaak aangepast, maar heeft daardoor kamers die stukken groter zijn dan de hedendaagse waar vierkante meters nogal eens schaars kunnen zijn. We drinken wat op het terras, er komt een groep motorrijders voorbij, eentje gaat er naar binnen en komt per omgaande weer naar buiten: complet! vol! De eigenaar is duidelijk niet op “motards” gesteld, want gasten daarna per auto arriveren zijn zichtbaar opgelucht blij dat er nog wel een kamer vrij is.

wordt vervolgd