ROUTE LE CORBUSIER - 10 (19092014)

Dag 4 – La Chaux-de-Fonds – Maison Blanche – Maison Turque - Saint-Amour.
Tijd om wat couleur locale te snuiven in Saint-Amour waar tot aan de Franse Revolutie de lokale adel en religieuze ordes de lakens uitdeelden. Er waren maar liefst vier kloosters, waaronder die van de broeders Capucijnen en de zusters Annuntiaten, die heel apart ook wel de Zusters van de Tien Deugden van Maria worden genoemd. Behalve de onaanzienlijke uit het midden van de 18e eeuw daterende Prisons Royales – de Koninklijke Petoet – volgens de VVV een zeldzaam voorbeeld van gevangenisarchitectuur – en de onvermijdelijke grote kerk, is daar weinig meer van te zien. Het stadje ademt nauwelijks totdat de plaatselijke harmonie zich vroeg in de avond letterlijk in de schaduw van de kerk opmaakt om de Quatorze Juillet, de nationale feestdag, in te luiden. Wij bekijken en beluisteren dit al vanachter de geraniums die op het balkon van onze kamer staan, het is dorps en het blijft dorps in Saint-Amour. Daardoor zijn we ook min of meer veroordeeld tot het restaurant van het hotel, dat ondanks de truttige inrichting op meerdere manieren verrast. Uit de gesprekken aan de belendende tafels blijkt dat wij niet de enigen zijn die bij het zien van de naam Saint-Amour zijn afgeslagen én in dit hotel zijn terecht gekomen. De man van de receptie is een manusje van alles, nu loopt ie weer te oberen: bestellingen opnemen en uitserveren. Dat gebeurt allemaal met een strak uitdrukkingsloos gezicht, een glimlach is te veel moeite of doet misschien wel pijn. De man observerend komen we langzaam maar zeker tot de conclusie dat het een uitgetreden priester moet zijn. En dan is er die gekke collectie ingelijste oude menukaarten van speciale gelegenheden – waaronder een fraai handgeschreven menu van 23 februari 1899 – die aan de muur hangen, nooit eerder gezien. Als verzamelaar van van alles en nog wat vind ik het perfect bij deze eetzaal passen. Pas naderhand ontdek ik op de website van het hotel dat de “uitgetreden priester” waarschijnlijk de hoteleigenaar André Raffin was, die zichzelf in 1973 nog omschreef als “un jeun et talentueux chef cuisinier”. Maar dat was hij dus 40 jaar geleden.............

Dag 5 – Firminy – Unité d'Habitation – Église Saint-Pierre.
“Patrimoine Le Corbusier” staat er even voor de afslag naar Firminy op een groot bord langs de snelweg. Eenmaal afgeslagen mag de in Le Corbu's bouwwerken geïnteresseerde bezoeker het verder zelf uitzoeken, hoewel een goed voorbereide reiziger natuurlijk zou moeten weten dat als de borden “Firminy Vert” worden gevolgd, je de goede kant opgaat. En je moet Firminy la Noire, het oude destijds vervuilde “zwarte” stadsdeel, achter je laten en de heuvel op rijden, want de lokale Unité d'Habitation is net als die van Briey-en-Forêt op een heuveltop gebouwd. Firminy was een industrie- en mijnstadje met overeenkomstige arbeidershuisvesting: klein, weinig comfort, veelal zonder stromend water en daardoor slechte tot geen sanitaire voorzieningen, waarvan we later tijdens ons bezoek gefilmde beelden zullen zien. In 1953 werd de met Le Corbusier bevriende voormalige Franse Minister voor Wederopbouw Eugène Claudius-Petit tot burgemeester gekozen. Kort daarna liet hij door een viertal architecten een plan ontwikkelen voor de het opknappen van het verwaarloosde stadscentrum en het ontwerpen van een nieuw groen stadsdeel. Daarbij zouden de in 1933 tijdens het Athene gehouden Congrès International d'Architecture Moderne (CIAM) geformuleerde stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten als leidraad moeten dienen. Oftewel: de scheiding en ordening van wonen, werken, recreatie en het verkeer. Herkenbare stokpaardjes van Le Corbusier zoals ik die in 2007 in het Nederlands Architectuur Instituut had gezien op zijn schetsontwerp uit 1929 voor de transformatie van Buenos Aires. Een jaar later zou hij op verzoek van de gemeenteraad bij het project worden betrokken met het verzoek een “Maison des Jeunes et de la Culture” – een cultureel centrum annex jeugdhonk – te ontwerpen alsmede een stadion. Twee jaar later presenteerde Le Corbusier een voorstel waarin beide waren geïntegreerd, hetgeen dus niet de bedoeling was. Na een jaar gaf hij het op: er zouden alsnog twee aparte gebouwen komen.

Ondertussen was de architect André Sive in 1957 begonnen met een voorstudie voor een kerk met pastorie voor Firminy-Vert, hij overleed echter een jaar later. Als gevolg van een gemeentelijke herindeling werden Firminy en de buurgemeente Chazeau in maart 1959 samengevoegd, Le Corbusier werd gevraagd om een nieuw stedelijk ontwikkelingsplan te ontwerpen waarin drie Unités d'Habitation dienen te worden opgenomen. Weer een jaar later – er was ondertussen nog steeds niets gebouwd – verzocht de parochieraad Le Corbusier om het ontwerp van de kerk op zich te nemen, hetgeen hij in samenwerking met zijn collega's José Oubrerie en Louis Miquel zou doen. En toen begon men eindelijk met het ijzer te vlechten en het beton te storten om wat Le Corbusier had bedacht te realiseren: in 1961 startte de bouw van het culturele centrum, dat in 1965 werd voltooid en in 1966 geopend. Het stadion werd tussen 1966 en 1968 aangelegd, in 1965 begon de bouw van de Unité d'Habitation boven op de door Le Corbusier uitgekozen heuvel. Langzaam aan, dan breekt het lijntje niet, maar dan op zijn Frans.

wordt vervolgd