ROUTE LE CORBUSIER – 27 (15122014)

Après Corbu – Rotterdam – van Nellefabriek.
Zoals veel wintersporters alle tijd schijnen te nemen voor de après-ski, nemen wij ruim de tijd voor de après Corbu. Niet in een bar in het dorp aan de voet van de skipiste, maar terug in Rotterdam waar we aan de reis langs de Route Le Corbusier begonnen. De stad waarover de architect na het zien van de Van Nelle-fabriek zei: “U heeft in Rotterdam een schitterend bewijs van het leven dat komt! Van een puurheid, zo onvoorwaardelijk zuiver!” Ooit solliciteerde ik in die fabriek toen er nog koffie, thee en tabak werden geproduceerd, onze benedenbuurman werkte er. “De Zware van de Weduwe”, zo heette in de volksmond de zware shag die er werd geproduceerd en door het stoere havenvolk werd gerold en gerookt. De van Nelle koffie boekjes met in de hoofdrol Kabouter Piggelmee waren zeer populair, je moest er geloof ik plakplaatjes voor sparen waarmee je de tekst zelf kon illustreren. “In het land der blonde duinen en niet heel ver van de zee, woonde eens een dwergenpaartje en dat heette Piggelmee.” Die magische zin staat in mijn geheugen gegrift, van Nelle als jeugdsentiment. Cees van der Leeuw, wiens familie in 1845 eigenaar was geworden van de Erven de Wed. J. van Nelle, kreeg kort nadat hij in 1917 tot “firmant” was benoemd de taak om het uit haar voegen barstende verouderde bedrijf aan de Leuvehaven te verplaatsen naar een nieuwe locatie.

Een kolfje naar de hand van de in architectuur, kunst en theosofie geïnteresseerde van der Leeuw. Hij maakte uitgebreide studiereizen om ideeën op te doen voor de vormgeving van de nieuwe fabriek die op een groot terrein aan de Schie in de toen nog lege Spaanse Polder zou worden gebouwd. In 1923 had Michiel Brinkman een schetsontwerp gemaakt, dat na zijn onverwachte overlijden in 1915 verder zou worden uitgewerkt door zijn zoon Jan en Leendert van der Vlugt, belangrijke voormannen van het Nieuwe Bouwen in Nederland (en ontwerpers van het Feijenoord stadion “de Kuip”). De opdrachtgever bemoeide zich intensief met de bouw en het ontwerp. Nadat hij in de Verenigde Staten het door paddenstoelen gesteunde plafond dat draagmuren overbodig maakte had ontdekt, hetgeen grotere en lichtere werkruimtes mogelijke maakte, werd dat prompt in het ontwerp ingepast. Geld, zo leek het, was bijzaak. Behalve licht en lucht, was hygiëne belangrijk mede omdat destijds kennelijk veel huizen nog geen stromend water hadden, laat staan een badkamer of toilet. Op vrijwel iedere oude film is te zien hoe bij aanvang en einde van de werktijd de handen werden gewassen en een speciaal daarvoor aangestelde dame iedereen een schoon handdoekje gaf. Maar, zo ontdekten we tijdens een rondleiding, in de trappenhuizen waren er ook een aparte trappen voor mannen en voor vrouwen die hen vrijwel automatisch naar de kleedruimtes leidde. Overal was over nagedacht. De maatvoering van de liften, het aantal verdiepingen van de gebouwen dat afhankelijk was van het aantal processen om van de grondstof een eindproduct te maken. Zo werd zichtbaar gemaakt dat tabak meer bewerkingen nodig had dan koffie of thee.

Het fabriekscomplex straalt tot op de dag van vandaag “moderniteit” uit, het lijnenspel verveelt nooit. En dan die hoge ramen waardoor de rijen strak in het gelid staande betonnen paddenstoelen zijn te zien. Of het laat toegevoegde ronde “bonbondoosje”, de tearoom die op het dak van de tabaksfabriek werd gebouwd – de puristen van het Nieuwe Bouwen gruwden ervan – vanwaar je een prachtig uitzicht over Rotterdam hebt. Toen ik ooit bij een aangrenzend bedrijf werkte en er jarenlang dagelijks voorbij fietste, viel het positief uit de toon. Niet alleen omdat het het hoogste gebouw in de Spaanse Polder was, maar ook vanwege de sierlijke architectuur die nogal afstak bij de saaie “functionele” blokkendozen waarmee de rest van de polder naderhand was volgebouwd. Het mooiste uur om de fabriek te zien is voor mij in de ochtend als de voorgevel wordt uitgelicht door de morgenzon en de transportbanden, een uit nood geboren toevoeging die het lijnenspel van de ramen ietwat verzieken, er stukken minder toe doen. Op dat moment lijkt de licht gebogen toegangsweg de oprijlaan naar een industrieel paleis. Het kan haast niet anders dat Le Corbusier rond die tijd op bezoek kwam en zijn lovende uitspraak deed. Recent is de fabriek bovendien tot Werelderfgoed verklaard, iets wat ondanks bijna desperate pogingen van de Franse Corbu-aanhangers om diens werk die status te geven, keer op keer mislukt. Zelf ben ik er niet echt van overtuigd dat zijn oeuvre “werelderfgoedwaardig” zou zijn. Moet je even vergeten dat hij de geestelijke vader van de Franse banlieus en dus de Amsterdamse Bijlmer was als je zijn werk beschouwt? Moet je even negeren dat de door ambitie gedreven Le Corbusier tijdens de Tweede Wereldoorlog aanvankelijk aan de kant van de verkeerde Vichy Fransen stond en bewonderaar was van Hitler om zich toen het opportuun werd te bekeren tot de Vrije Fransen van Generaal de Gaulle in verband met de kansen die de wederopbouw zou bieden? Moet je ter zijde schuiven dat de meeste gebouwen van zijn hand inmiddels een of meerdere malen zijn gerenoveerd om ze van de sloop te redden? Mij lukt dat niet, maar ik ben – ondanks deze reis – hoe dan ook een bewonderaar van Oscar Niemeyer.

slot