|
CREMER (2106015) Eenmaal terug uit Zwolle duik ik gelijk de kelder van mijn vaderlandse pied-à-terre in om de laatste Nigeriaanse verhuisdozen met boeken open te maken. Dozen die daar “tijdelijk” werden gestald tijdens mijn verhuizing van Nigeria naar Brazilië, inmiddels 16 jaar geleden. Tot mijn niet geringe verbazing was er in 1999 namelijk geen directe verbinding tussen Lagos en Rio de Janeiro en moest de container noodgedwongen via Rotterdam varen. Ik kon mijn oren niet geloven toen mij dat werd verteld. Wij woonden in Lagos vrijwel aan de Slavenkust, waar vandaan honderden jaren zeilschepen beladen met slaven de Atlantische Oceaan overstaken met als bestemming Brazilië, de Cariben of de Verenigde Staten. Dat was de tijd dat de vermaarde “Driehoekshandel” bloeide. Je zou haast concluderen dat sinds het afschaffen van de slavenhandel en de slavernij er qua transport geen enkele vooruitgang is geboekt. Maar ja, niet lang voor mijn vertrek uit Nigeria was de luchtverbinding die VARIG tussen beide steden onderhield ook al ter ziele gegaan. Tijdens de tussenstop liet ik in Rotterdam flink wat dozen met potten en boeken uitladen om plaats te maken voor meubels die we in Rio nodig hadden. Het thans openen van de verhuisdozen is de schuld van de schrijver, kunstschilder, fotograaf, rebel Jan Cremer van wie in museum de Fundatie schilderijen uit de periode 1954–2014 worden getoond. 't Is meer jeugdsentiment dan wat anders dat ik die wil zien, 't is de herinnering aan de rebelse jaren 60 van de vorige eeuw toen alles wat tot dan toe onderdrukt en/of verboden was geweest, ter discussie werd gesteld en het ene heilige huisje na het andere werd gesloopt. Het beste bewijs daarvan houd ik even later in mijn handen: een eerste druk uit 1964 van “Ik Jan Cremer” die nog steeds is verpakt in het karamelkleurige kaftpapier uit die tijd, het zag er daardoor namelijk uit als een van mijn schoolboeken. Want ik woonde nog in mijn ouderlijk huis en dit was pure camouflage voor dit destijds schandalige en in sommige kringen als pornografisch bestempelde boek. Ik las het onder de dekens, rode oortjes en wat dies meer zij. Jaloers ook op iemand die de dingen bij zijn naam durfde te noemen en het leven leidde waarvan je je destijds nauwelijks kon voorstellen hoe dat was. Van uitgeverij de Bezige Bij kreeg Cremer het eerste Gouden Boek ter wereld nadat er 100.000 exemplaren van waren verkocht – zij moeten er goud geld aan hebben verdiend – nooit eerder waren er in Nederland zoveel boeken van een enkele titel verkocht. Zijn flirt of verhouding met Jane Mansfield, zijn rondneuken, de Harley Davidson, de reizen, het sprak allemaal meer tot de verbeelding dan tegenwoordig voorstelbaar is. Natuurlijk gebeurde dat alles in het pre-satelliet tijdperk toen het internet en de mobiele telefoon – laat staan de tablet of de smartphone – nog moesten worden uitgevonden en de tijd dat de Nederlandse televisie slechts uit Nederland 1 bestond dat vrijwel de hele dag het testbeeld uitzond. Uit een doos komen al mijn Cremerboeken tevoorschijn: Ik Jan Cremer, Ik Jan Cremer Tweede Boek, Jan Cremer Made in USA, Jan Cremer's Logboek, de Avonturen van Jan Cremer, de trilogie De Hunnen, Jan Cremer in Beeld en Op de fiets de wereld in van Jan Cremer Sr. In het ooit zo controversiële Ik Jan Cremer zit een krantenknipsel uit augustus 1996, waarin Bas Heijne onder de kop “Als ze me nu eens konden zien!” stelt: Met “Ik Jan Cremer” vestigde Jan Cremer het oerbeeld van de vrijgevochten Hollandse jongen, die zich niets laat vertellen. Wie de roman nu leest, zoekt tevergeefs naar de stoere jongen op de motor. Eigenlijk wil Jan Cremer helemaal niet neuken. Met een PS van de redactie die op een trap na lijkt: “Ik Jan Cremer is op het ogenblik niet leverbaar.” Maar ik ben niet van Buenos Aires via Rotterdam naar Zwolle gereisd voor zijn boeken. Ik herinner me ook de litho's van koeien in de weide bij mijn neef Arjan thuis en de schilderijen van tulpenvelden uit zijn New Yorkse periode en verwacht die in de Fundatie eindelijk eens te kunnen zien. Want ik heb eerlijk gezegd nog nooit een schilderij van Cremer gezien. Museum de Fundatie is een paar jaar geleden verbouwd, op het dak van het klassieke voormalige Paleis van Justitie is een groot ei of een wolk gebouwd. Van afstand detoneert het beslist niet, super zelfs, maar binnen is er nauwelijks extra expositieruimte toegevoegd. En daar gaat het toch om in een museum? Jammer. De schilderijen die Jan Cremer de afgelopen 60 jaar heeft gemaakt hangen er, rijp en groen. Daar is het doek dat me onmiddellijk aan de fameuze zonsopgang van Monet doet denken, puur impressionisme. En dan die vele doeken die met een paletmes zijn gemaakt. Dikke lagen en klodders verf, driedimensionale golven, tijdloze beelden die ondertussen niets meer met een rebellerende jonge kunstenaar hebben te maken. Cremer is in de loop der jaren stukken minder rebels geworden, rustig zelfs, gesetteld. Maar dat neemt niets weg van de magie die hij in zijn én mijn jongere jaren opriep. En zeer zeker niet bij hen die – zoals ik – toen niet en nu niet de routineuze saaiheid van alle dag zo vaak als mogelijk wilden en willen vermijden. |