|
PAIX (24082015) Eerst een bekentenis: tien jaar lang heb ik ten onrechte gedacht dat Jean Jaurès ooit iets met de tango had. Dom, dom, dom! De verzachtende omstandigheid was dat in het stadsdeel Abasto van Buenos Aires, waar nogal wat tangohistorie ligt, een straat naar hem is vernoemd. Ook nog eens de straat waar tangolegende Carlos Gardel, toevallig ook van Franse origine, een huis kocht voor zijn moeder Marie Berthe Gardés. Het huis waarin tegenwoordig het Carlos Gardel Museum is gevestigd. Ter verontschuldiging voer ik verder aan dat een van de bijnamen van Gardel “el morocho de Abasto” is. Aan mijn onwetendheid werd in mei 2010 een eind gemaakt. Mijn voormalige Nigeriaanse geliefde werkte tijdelijk in la Défense en woonde aan de rand ervan in Puteaux. Beide liggen aan de andere kant van de Seine, dus net niet Parijs, maar Île de France. Toen het hotel in Courbevoie, aan de noordkant van la Défense ietsje achter de Grande Arche, geen kamer had voor de laatste nacht die ik er wilde verblijven, mocht ik na veel soebatten bij haar op de bank slapen. Bovendien was haar zusje er om eventueel gedoe te voorkomen. Ons huwelijk was jaren eerder gestrand omdat zij een overtuigd “born again Christian” was geworden en haar dominee haar had bezworen dat het huwelijk met een gescheiden man, dat bovendien niet kerkelijk was ingezegend, in de ogen van God niet geldig was. Ergo: ze was eigenlijk nooit met mij getrouwd geweest. De wijn was na één glas op en ik bood aan een nieuwe fles te gaan kopen. Waar ze die had gekocht? Bij de Monoprix – een soort HEMA – een paar straten verderop. Dat filiaal van de Monoprix lag, zo zag ik met enige verbazing, aan de Rue Jean Jaurès. Min of meer tegenover de winkel stond ook nog eens een eenvoudig monument voor de naamgever van de straat. Een medaillon met de kop van een man met een stoere baard, zijn geboortejaar en zijn sterfjaar, (1859 – 1914), alsmede een korte tekst die ik niet heb genoteerd. Ik kocht de fles wijn, ging terug naar huis en deed verder niets om meer over de man te weten te komen. Het was nu echter wel duidelijk dat hij niets met de tango te maken had, waardoor hij opeens stukken minder interessant was. Tot juli 2014. Dat was de maand, zo bleek, dat Jean Jaurès honderd jaar eerder was vermoord. In Parijs, in het Café du Croissant, in het 2e arrondissement op de hoek van de Rue Montmartre en de Rue du Croissant, op 31 juli, een vrijdag. Het café lag midden in de wijk waar veel kranten werden gedrukt, waaronder het toen nog socialistische dagblad l'Humanité waarvan Jaurès één van de oprichters was en de “politiek directeur”. Jaurès werd vermoord door een “nationalist” omdat hij zich actief verzette tegen een mogelijke oorlog met Duitsland. Pacifist zijn was in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog niet bepaald bon ton in Frankrijk. De smadelijk verloren oorlog van 1870/71 moest worden gewroken, Elzas en Lotharingen moesten worden heroverd. Op 3 augustus 1914, een paar dagen na de moord op Jaurès, verklaarde Duitsland de oorlog aan Frankrijk. Wij zijn onderweg naar Juvigny-sur-Loison, via Murvaux en Brandeville, via de over heuvels en door akkers en bossen lopende departementale weg D102. Door een landelijke streek die onder de rook van de imposante citadel van Montmédy ligt. Aan de buitenkant van Brandeville een “nécropole nationale”, een kleine oorlogsbegraafplaats met een sober monument dat is opgedragen “AUX HÉROS DE LA GARNISON DE MONTMÉDY – 29 AOÛT 1914” én een korte uitleg met foto's van wat zich hier die dag heeft afgespeeld tijdens de bloederige “Bataille de Brandeville”. Het garnizoen van de Citadel had de opdracht gekregen zich terug te trekken naar Verdun, een kilometer of 40 naar het zuiden. Tijdens die terugtocht ontdekten verkenners in de buurt van Brandeville een belangrijke Duitse troepenmacht die zich niet bewust was van de aanwezigheid van de Franse troepen in de bossen. Doorgaan met de aftocht of aanvallen? Het laatste dus. De Fransen waren matig bewapend en hadden weinig munitie – 200 kogels de man – de Duitsers werden totaal verrast, hun verliezen waren groot. Hergroeperen, tegenaanval. Nu sneefden de Fransen in groten getale en/of werden gevangen genomen. Slechts een klein aantal zou uiteindelijk Verdun bereiken. Van de Franse krijgsgevangenen zouden er na de oorlog maar weinig naar huis terugkeren. Tja, wat moet je na dat te hebben gelezen en gezien met die oubollige levensgrote kleurenfoto's van Franse infanteristen met “165” op de epauletten die in de bloemperken in het dorp staan? Nee, dan die eenzame bunker in een weide langs de weg – een “Casemate d'Intervalle” van de Maginotlinie – waarop met grote gele letters het woord PAIX staat. We zijn er al eerder voorbij gereden, maar nu stoppen we. Er is een eveneens geel bord in het hek geplaatst: “A JEAN JAURÈS 1859 – 1914, DEFENSEUR DE LA PAIX ET DE L'AMITIÉ FRANCO-ALLEMANDE” staat erop. Het is een installatie van de Duitse beeldend kunstenaar Rainer Tappeser, die zijn ingreep in het landschap “Guerre – Paix – Amour” heeft gedoopt. Die titel vind ik wat misplaatst, maar het ding staat heel symbolisch wel in hetzelfde soort niemandsland waarin Jean Jaurès tot aan zijn dood tevergeefs om vrede smeekte. |