CARGO CRUISE – dagboek van een zeereis - 5 (11092015)

Donderdag 3 september 2015 – Valparaíso – Chili
Het Palacio Baburizza ligt te schitteren in de zon. Het is gebouwd op een strategische plek die destijds een prachtig uitzicht bood over de haven en de baai, een uitzicht dat sindsdien wat vervuild is door lelijke moderne hoogbouw. De schatrijke Pascual Baburizza liet het door hem in 1925 gekochte huis grondig verbouwen voordat hij het betrok. Er was sowieso al genoeg ruimte voor zijn kunstcollectie, maar toch werd er nog wat aangebouwd om een fraaie, ongetwijfeld uit Europa geïmporteerde, marmeren schouw – Style Empire? – te kunnen plaatsen met een groot Frans gobelin op de muur erboven een ronde Louis XVI salontafel ervoor. De rand van die tafel is ingelegd met 12 kleine portretten van hofdames, in het midden een familietafereel: Marie Antoinette met haar derde kind Louis Charles. Allemaal met de hand beschilderd Sèvres porselein, Frans cultureel erfgoed dat in Valparaíso terecht kwam en naderhand samen met de kunstcollectie van Barburizza aan de stad werd nagelaten. In de salon ontbreken de gedecoreerde houten wandpanelen van de andere kamers op de begane grond, die worden tegenwoordig trouwens ietwat ontheiligd door de schilderijen die ervoor zijn gehangen. Ik dwaal door het huis, ga van verdieping naar verdieping, volg gedwee de aanwijzing van de zaalwacht om de “recorrida” te volgen, de route die de museumleiding vindt dat de bezoeker dient te nemen. Veel te veel portretten, stillevens en landschappen, op een enkel werk na boeit het huis me meer dan de collectie. Werken als het marmeren eierdoosje van de Spanjaard Joan Mora en het metalen vrouwentorso van de Chileen Iván Cabezón dat is “aangekleed” met resten fietsketting, roestige springveren en ander afval, inclusief een kuisheidsgordel die is gemaakt van een overbodig deurslot dat “Sex Eclair” is gedoopt, versterken de indruk dat hier “collectievorming uit de losse pols” wordt bedreven. Natuurlijk is niet alles kommer en kwel. Een impressie van lang geleden van de Paseo Atkinson geeft mooi de sfeer van toen weer van de goed geconserveerde promenade, op een havengezicht uit 1892 van de Muelle Prat staat prominent een drijvend reparatiedok. Op diezelfde plek ligt bijna 125 jaar later nog steeds een reparatiedok, zij het een moderne versie. Wat mij aan het huis vooral charmeert, is dat op de hoger gelegen verdiepingen steeds aan het uitzicht is gedacht: naar links, naar rechts en een panoramisch uitzicht over de baai. In wat er hoger op de heuvel is te zien, was kennelijk niemand geïnteresseerd. Via een nieuwe ondergrondse vleugel verlaat de bezoeker het museum weer. Ik loop er nog eens omheen en bewonder de grote lantaarns, de geveldecoraties, het elegante torentje, maar vooral het uitzicht.

Ik klim verder de Cerro Alegro op en geniet van de overvloedig aanwezige gratis straatkunst, terwijl ik in het museum als buitenlander het dubbele moest betalen van een Chileens bezoeker. Toen ik vroeg waarom dat was, kreeg te horen dat Chilenen geen enthousiaste museumgangers zijn en dat de lagere prijs bedoeld is om hen aan te moedigen. De wandeling gaat door bekend gebied, herken oude muurschilderingen en ontdek nieuwe. Het lijkt wel of het opknappen van vervallen panden tot stilstand is gekomen, hetgeen wellicht de schuld is van de lagere grondstofprijzen – met name voor koper – die de Chileense economie hebben doen afkoelen. 't Is warm, ik loop bij Almacen Santa Anita naar binnen voor een koud biertje en een empanada, die een veel plomper is dan de elegante Argentijnse soortgenoot. Het is een typische buurtwinkel: rommelig, eenvoudig, met een beperkt assortiment van dagelijkse eerste levensbehoeften, wat grote koelkasten van frisdrankfabrikanten, een toonbank met weegschaal en hoog tegen de schappen een tijdloze Kerstman die het geheel overziet. De grote inkopen worden ongetwijfeld bij een van de supermarkten aan de voet van de heuvels gedaan. Er wordt mij een krukje aangeboden, dat komt goed uit want zo kan ik tenminste een indruk krijgen van hoe het er hier aan toegaat. De klanten lopen er over het algemeen slonzig bij, er wordt veel bier verkocht, frisdrank, brood en eieren per stuk. Tussen de bedrijven door word ik gewaarschuwd om vooral op te letten, want de criminaliteit is de laatste jaren flink toegenomen. Dit is de couleur locale waar ik van houd. Heuvelafwaarts lopend kom ik langs een winkel met een op de pui gemonteerde collage van gestapelde huisjes zoals die op afstand tegen de steile heuvels van Valparaíso lijken te zijn geplakt, een houten deur met afbeeldingen die weergeven wat erachter aan lekkernijen wordt verkocht, “de Zaaier” van Vincent van Gogh op de muur van hostel Los Girasoles – de Zonnebloemen en een boekwinkel waar de koppen van de schrijvers van wie de boeken binnen te koop zijn op de buitengevel staan geschilderd. Vroeg in de avond leer ik in de supermarkt het woord “propinero.” “Propina” is het Spaans voor fooi, de propinero is de onbetaalde inpakker bij de kassa die met de fooien van de klanten een centje bijverdiend. Bedrijfskleding en een ID-kaart met “PROPINERO” erop krijgen ze, voor het salaris moeten ze echter zelf zorgen.

wordt vervolgd