CARGO CRUISE – dagboek van een zeereis - 14 (17102015)

Dinsdag 15 september 2015 – Panamakanaal – Punta Manzanillo – Panama
Tegen een uur of drie komt de loodsboot langszij, ik zie een behoorlijke corpulente man de touwladder vastgrijpen en met enige moeite omhoog klimmen. Zijn gele koffertje wordt met een apart touw aan boord gehesen. Dat stukje touwladder is nodig om bij de valreep te komen en vervolgens op het schip. De dikke man, zo zie ik nu, trekt met zijn been. Eenmaal op de brug weet iedereen gelijk wie hij is, het staat namelijk met grote letters op de rug van zijn jack: PILOT. Nadat hij zijn jack heeft uitgetrokken, valt het met zijn zwaarlijvigheid behoorlijk mee. Hij is een Panamees met Afrikaanse voorouders, misschien is hij wel een nazaat van een van die vele duizenden arbeiders die voor de aanleg van het kanaal op een van de eilanden werden geworven die destijds Britse koloniën waren. De vraag brandt me gelijk op de tong, maar het is natuurlijk veel te vroeg om hem die te stellen. Nadat hij zich heeft geïnstalleerd, wens ik hem kort goedemorgen en kom er gelijk achter dat hij tot het einde van de kanaalreis aan boord zal zijn. De vraag die ik hem wél stel gaat over de voortgang van de werkzaamheden voor de uitbreiding van het kanaal. Het antwoord is een lange litanie over corrupte politici en zakenlieden in Panama. “Ik heb nota bene op Martinelli gestemd bij de Presidentsverkiezingen. Ik dacht die is al miljardair, die heeft ondertussen wel genoeg. Maar nee hoor, gaat rustig door met stelen. Ik heb een grote fout gemaakt.” Hij neemt een slok van zijn thee en gaat verder. Of ik weet wat “coimas” zijn, alsof steekpenningen en omkopen in Argentinië een uitgestorven diersoort zouden zijn. Ik herinner hem eraan dat ik in Buenos Aires woon, hetgeen wat hem betreft betekent dat ik van de hoed en de rand weet. “Er stonden drie consortia op de shortlist voor het project. De gringos draaiden zich om zodra over steekpenningen werd begonnen, de Japanners hebben geen idee hoe zoiets werkt enhaakten ook af. Het derde consortium, Grupos Unidos por el Canal dat wordt geleid door Spaanse bouwbedrijf Sacyr, kende het klappen van de zweep en kreeg dus het contract. Niemand onderzocht waarom zij het zoveel goedkoper konden doen dan de gringos of de Japanners. Ze hebben slecht cement gebruikt en nu is bij het testen gebleken dat het beton lekt! Es un desastre!” Ik kijk ernaar uit om straks bij daglicht met eigen ogen te kunnen zien of het werk dusdanig is gevorderd dat het “nieuwe kanaal” in april 2016 inderdaad kan worden geopend.

In San Felipe, de oude Spaanse koloniale wijk van Panama Stad, staat vlakbij de Franse ambassade een oud vestingwerk met in het midden een obelisk met bovenop een kraaiende haan. Onder de haan een wapenschild met een schop en een pikhouweel. Op een bronzen plaquette op de sokkel staat: “Het Panamese volk draagt dit monument op AAN DE FRANSE GRAVERS van het CANAL INTEROCEANICO.” Ik was niet op zoek naar dit monument, maar ontdekte het toevallig. Een collega had mij aangeraden om even langs de Franse ambassade te lopen omdat die als “decorstuk” was gebruikt voor de verfilming van het boek “The Tailor of Panama” van John le Carré. Voor zover ik me herinner was het in de film opeens de Amerikaanse Ambassade. Ik wilde sowieso door San Felipe lopen om de architectuur te vergelijken met die van Viejo San Juan in Puerto Rico, waar ik in 2006 voor mijn werk met enige regelmaat een paar dagen naar toe moest. Nog maar net aan de wandelingen begonnen, werd ik aangehouden door twee jonge politieagenten op mountainbikes die in het Engels informeerden of ik een toerist was. Ik bevestigde dat in het Spaans, waarop ze me vertelden dat ik bijna de grens van de wijk had bereikt en dat een paar honderd verder lopen “richting die huizen daar” een stevig risico van beroving inhield. Ik bedankte de heren voor hun welgemeend advies en bleef binnen de verder nergens behoorlijk aangegeven “veiligheidszone.” Een kerk in Spaanse stijl met een oude façade trok mijn aandacht, de ramen van de huizen met de fraaie houten bovenlichten die voor de frisse lucht zorgden voordat plafondventilatoren en airconditioners hun intrede deden. Voorname huizen waarvan alleen de buitenmuren nog overeind stonden, de ruïne van een klooster idem dito met alle heiligenbeelden uit de nissen verwijderd. Gejat? Of naar een ander klooster of kerk verhuisd? Verwaarloosde statige herenhuizen die dienst deden als woonkazernes én het presidentiële paleis waarvan ik bij de gratie van de in burger geklede veiligheidsagenten – mijn rugzak was enigszins verdacht – als zijnde een “Argentijnse broeder” wat foto's van mocht maken. Vanuit zijn paleis kijkt de President over de baai uit naar de nieuwe hoogbouw vol met grote luxe appartementen waar in de drugshandel rijk geworden “zakenlieden” uit het buurland Colombia hun spaargeld zouden hebben belegd.

wordt vervolgd