NICARAGUA – REIS LANGS EEN ONZICHTBAAR KANAAL - 22 (19062016)

Dinsdag 8 maart 2016 – Bluefields – Laguna de Perlas
Nog steeds welgemoed parkeer ik na aankomst in Laguna de Perlas mijn koffer bij Hotel Queen Lobster – uw kamer is pas na 11 uur beschikbaar – en ga naar de vertegenwoordiger van de Nicaragua expert. Er staat voor vandaag verder niets op het programma, maar een paar dagen geleden heeft hij mij in Matagalpa de verzekering gegeven dat ik me de hele dag zou kunnen uitleven met de tips van ene Kathy. Die stelt een dagje naar het strand voor of een wandeling naar Awas, een dorpje in de buurt, voor wat couleur locale. “Is dat alles?” vraag ik teleurgesteld “Ja, dat is alles.” En dan te bedenken dat donderdag opnieuw een dag is die ik op deze manier mag vullen, daar heb ik echt geen zin in. En nog minder nadat Kathy toegeeft dat drie dagen in dit dorp eigenlijk wel wat overdreven is. Min of meer eigen schuld omdat ik vandaag oorspronkelijk naar Punta Gorda had willen gaan om poolshoogte te nemen in het dorp waar de Caribische toegang tot het Nigaraguakanaal zal worden aangelegd. Die trip werd me ronduit ontraden vanwege de onrust die er heerst in verband met de onteigening van het land dat “in de weg” van het kanaal ligt. Punta Gorda is bovendien slechts moeizaam over land te bereiken, met een open panga over de Caribische Zee is de logische route. Als ik per se naar Punta Gorda had willen gaan, dacht de Nicaragua-expert dat wel voor ergens tussen de 500 en 1.000 dollar te kunnen regelen, maar net toen verdronken er tijdens slecht weer 13 mensen die met een panga over zee onderweg waren naar Little Corn Island en dacht ik heel laf: laat dan maar....

Lang telefonisch overleg met de expert, de enige optie die ik heb is overmorgen terug te gaan naar Bluefields en vandaar vrijdag over de Río Escondido naar El Rama in plaats vanaf Laguna met de auto. Achteraf is de beste tip die ik van Kathy krijg aan de overkant koffie te gaan drinken. Met enige tegenzin, doch bij gebrek aan beter stap ik door de voordeur van het slecht getimmerde huis. BAKERY staat erboven, de luiken van de glasloze ramen staan open, achter de toonbank staat een man met heel erg veel Afrikaans bloed. Bandana over zijn rastakapsel, brede glimlach, poloshirt met een logo dat bestaat uit een palmboom, een kokosnoot en de woorden “Coconut Delight's.” “Aan de overkant zeggen ze dat jij de lekkerste koffie van Laguna schenkt. Is dat zo?” is mijn binnenkomer. Hij antwoordt bevestigend en legt me desgevraagd uit welke broodsoorten hij bakt, welke cakejes en welke taarten en taartjes. “Allemaal met grondstoffen en ingrediënten die je hier in de buurt vindt.” Eerst maar eens een kop koffie en een stuk bananencake proberen, beide heel smakelijk. Ik ben de enige “zittende” klant, af en toe vallen mensen binnen die wat kopen om mee te nemen of beltegoed. Echt waar. Ik schrijf wat, ik lees wat, ik kijk naar wat zich op straat afspeelt.

Als er even rustig is vraag ik aan de bakker wat hij weet over zijn roots en tot welke bevolkingsgroep hij zich rekent. “Ik ben Creole en waar ik vandaan kom zou ik zelf ook wel willen weten.” Goed, geen Garifuna dus, de andere bevolkingsgroep met Afrikaanse wortels. “Waar hebben ze marimba's in Afrika? Weet jij dat misschien?” Ik kan mij niet herinneren daar ooit een marimba te hebben gezien, de West-Afrikaanse balafon, die erg op de marimba lijkt, schiet me op dat moment helaas niet te binnen. Volgende vraag: “Waar haalden de Fransen hun slaven vandaan? Mijn achternaam is Theophile.” Tja, Senegal was een Franse kolonie, voor de kust van Dakar ligt het Île de Gorée dat meerdere “comptoirs” had met de handel in slaven als hoofdactiviteit, het waren de pakhuizen van de groothandelaren in slaven. Maar de Fransen zullen voor hun Caribische koloniën ongetwijfeld ook slaven hebben gekocht van de Nederlanders, Engelsen en Portugezen. Na de aanvankelijk eenzijdige afschaffing van de slavenhandel in 1807 brachten Engelse patrouilleboten de voor de Afrikaanse kust in beslag genomen scheepsladingen slaven naar Freetown, de hoofdstad van Sierra Leone. Zo kende ik in Lagos “Sierra Leoners” met achternamen als Williams en Phillips wiens (over-)grootouders daar tijdens de Britse koloniale tijd naartoe waren verhuisd omdat ze dachten dat hun voorouders uit Nigeria kwamen. Maar zeker wisten deden ze dat niet. Het is gewoonweg erg moeilijk om het vaderland van nakomelingen van een slaaf vast te stellen, tenzij je uitgebreid DNA onderzoek doet. Wel is soms goed te zien waar de dominante etnische groep vandaan kwam. In Brazilië, Cuba en de Dominicaanse Republiek vind je bijvoorbeeld Yoruba goden en gebruiken terug, de Voodoo in Haïti is afkomstig uit Dahomey – de Republiek Benin - en in Suriname zou een sterke link bestaan met Ghana. De bakker vindt het buitengewoon dat het moeilijk, zo niet onmogelijk zal blijken er ooit achter te komen waar precies in Afrika zijn wortels liggen.

wordt vervolgd