|
NICARAGUA – REIS LANGS EEN ONZICHTBAAR KANAAL - 28 (11072016)
Vrijdag 11 maart 2016 – Bluefields – El Rama – San Miguelito – Oostelijke oever Nicaraguameer
Angel vervolgt: “Er zijn wel een paar voorlichtingsbijeenkomsten geweest op het gemeentehuis, maar daarna is het stil geworden. Af en toe vlogen er helikopters over en kleine vliegtuigjes, dat maar dat is alweer even geleden.” Hoewel ze eerst een deel van hun land zouden kwijt raken, weten de broers die samen de finca El Cacao bezitten nu vrijwel zeker dat zij op hun bedrijf kunnen blijven, volgens een herzien plan komt het kanaal nu wat verder naar het zuiden. Ik kijk die kant op en moet er niet aan denken dat daar opeens enorme schepen de horizon gaan vervuilen. We moeten verder, lopen door een weide met koeien, langs een klein huisje naar een ander druk bevolkt huis, waar broer Rodrigo met zijn extended family woont. Opnieuw een oppervlakkig gesprek totdat Hamilton vindt dat het lang genoeg heeft geduurd en mij vraagt mee te komen naar zijn huis, want daar zal ik gaan logeren. Tegen zes uur gaat de zon onder. Omdat de finca niet is aangesloten op het lichtnet, eet ik bij kaarslicht “gallo pinto”: rijst met bonen, taco's en de zelf gemaakte kruimelkaas die “cuajada” heet. Koffie toe op het erf met als bonus een prachtige sterrenhemel. Het gastgezin – Hamilton, vrouw, zijn zoon en haar dochter – vertrekt om bij Angel te gaan overnachten, want de gast slaapt in hun huis en in hun bed.
Zaterdag 12 maart 2016 – Oostelijke oever Nicaraguameer
Tegen 8 uur stappen Hamilton en ik opnieuw in de wankele panga om naar de andere kant van de Finca Corosal te varen. De naastgelegen boerderij met een oppervlakte van 2 duizend manzanas, in Nicaragua is dat ongeveer 1.400 hectare, waar de vaargeul van het kanaal door het meer zal eindigen. Vanaf dat punt zal verder worden gegraven in de richting van Punta Gorda aan de kust. Het bootje schommelt behoorlijk door de golfslag, die het gevolg is van de stevige bries die er staat. Omdat het wat heiig is, zijn de vulkanen van het naar het noordwesten gelegen eiland Ometepe helaas niet te zien, anders had ik de vaargeul, die daar in een rechte lijn vandaan zal komen, als het ware kunnen zien. Het over de boeg waaiende water is aangenaam verkoelend, dat de zon niet schijnt is een tref. Onverwacht komen er beelden boven uit mijn jongere jaren, uit de tijd dat ik journalist wilde worden en daarvoor langs ging bij het Rotterdamsch Nieuwsblad, een krant die overigens sinds 1991 niet meer bestaat. Dat was in de tijd dat de School voor de Journalistiek nog moest worden bedacht en “het vak” in de praktijk moest worden geleerd. Ik maakte weinig kans vanwege onvoldoende vooropleiding, zo werd mij verteld. Eigen schuld, want ik was van het Johannes Calvijn Lyceum gestuurd wegens gebrek aan inzet en dwars gedrag. Iets dat ik daarna jarenlang in de avonduren heb moeten goedmaken. Men was eventueel wel geďnteresseerd in mijn plan om af te reizen naar een radioschip op de Noordzee, waarvan er de nodige net buiten de territoriale wateren – toen nog 3 mijl – van Nederland en Engeland lagen. Die illegale zeezenders waren in de eerste helft van de jaren zestig van de vorige eeuw nogal controversieel omdat ze op slimme wijze de wet omzeilden die commerciële radio- en televisie-uitzendingen verbood. Het lukte mij te worden uitgenodigd om een kijkje te komen nemen aan boord van Radio 270, een Engelse zender. In het pre-internettijdperk was dat een tijdrovende bezigheid met veel heen en weer geschrijf, ik was er best trots opdat ik mocht langskomen. Achteraf bezien, zette ik aldus mijn eerste stappen als reizend schrijver door in Amsterdam de veerboot naar Immingham te nemen om van daar verder met de trein naar Scarborough te reizen. Het boemeltje deed er eindeloos lang over, het avontuur kwam echter met de minuut dichterbij. Op het kantoor van de zender, eigendom van de supermarktbaas Wilf Proudfoot, werd mij verteld nog een dag te moeten wachten. Het bevoorradingsschip kon niet uitvaren vanwege de harde wind. Morgen beter. De windkracht was gedaald naar tussen de 6 en 7 Beaufort, dat kon er net mee door. Het “schip” was een sloep met krachtige buitenboordmotor die op de golven heen en weer danste, tijd om zeeziek te worden of om het eng te vinden ergens op de Noordzee te moeten overstappen op de Scheveningse logger “Oceaan 7” waar in het visruim de zendapparatuur stond, was er gewoonweg niet. Wachten op een hoge golf, de vanaf de logger uitgestoken handen vast grijpen en via de buiten boord hangende autobanden aan boord klauteren. Het hoorde er allemaal bij om te kunnen gaan doen wat ik perse wilde doen. Net zoals vandaag dus met een minuscuul lekkend bootje met een voortdurend sputterende tweetakt buitenboordmotor over die grote plas water varen om de vaargeul te ontdekken van een kanaal dat nog moet worden gegraven. Na een uur of zo, ik ben inmiddels zeiknat, stopt Hamilton de motor en werpt het anker uit.
wordt vervolgd
|