NICARAGUA – REIS LANGS EEN ONZICHTBAAR KANAAL - 37 (12082016)

Woensdag 16 maart 2016 – Ometepe – San Jorge – Rivas – Punto Brito – Rivas – La Union – Granada
In Rivas staat er nog een bezoek aan het lokale museum op het programma. Geen groot museum met een kleine collectie precolumbiaanse objecten die tegenvalt. Eén zaal slechts waarin vooral zichtbaar is dat er een paar objecten zijn verdwenen en erg weinig aan conservering wordt gedaan. Erg jammer. Zo te zien dient het gebouw eerder als een soort politiek buurthuis als wat anders, met alle gevolgen van dien. Snel door naar San José en de door de Japanners gefinancierde brug over de rivier Las Lajas, die deels zal worden gekanaliseerd en verbreed. Ze mondt een paar honderd meter verderop – bij La Unión – uit in het Nicaraguameer. Een dorpje van niets, maar groter dan Brito aan het andere einde. Tussen beide dorpen komt het 26 kilometer lange West Kanaal te liggen, het 127 kilometer lange Oost Kanaal zal – tussen San Carlos en Punta Gorda – de oostelijke oever van het meer met de Caribische kust gaan verbinden. Het laatste mijmermoment van vandaag én van deze reis aan de oever van het meer, op het strand van La Unión. Nou ja strand, eerder rotsen. Met aan de overkant de vulkanen Concepción en Maderas van het eiland Ometepe. Ik zie in gedachten schepen de oversteek maken, de grote schepen die de rust om zeep zullen helpen, het water van het meer zullen verwarmen, vervuilen en verzilten. Vrijwel niemand kan zich daar een voorstelling van maken. Het dorp bijvoorbeeld waar ik nu ben, zal verdwijnen, het strand zal worden opgeblazen, er zal een grote sluis worden gebouwd, de nu nog smalle ondiepe rivier zal worden vervangen door een kanaal van 30 meter diep en bijna 300 meter breed. Het is, zo moet ik erkennen, inderdaad vrijwel onvoorstelbaar, tenzij je uit eigen waarneming weet hoe het Panamakanaal eruit ziet en werkt. En toevallig ken ik dat van zeer nabij. Met in het achterhoofd de wetenschap dat slechts de weinige schepen die zelfs na de uitbreiding te groot zijn voor dat kanaal, via het Nicaraguakanaal zullen gaan varen en er voor de rest een keiharde concurrentiestrijd zal ontstaan. Dat was het dan wat het nu nog onzichtbare kanaal betreft. We rijden over de Pan American Highway naar Granada, de oudste koloniale stad van Nicaragua, waar ik de laatste dagen van mijn reis in Hotel El Colonial ga logeren. Aan beide zijden van de tweebaansweg een lange aaneenschakeling van plantages: papaja, suikerriet en eindeloos veel bananen.

Donderdag 17 maart 2016 – Granada
Mijn begeleider voor vandaag is weer eens te laat, voor de zoveelste keer zit ik voor Jan met de korte achternaam in de lobby van een hotel te wachten. Na een kwartier bel ik naar de Nicaragua-expert, die belt op zijn beurt de dienstverlener en nog een kwartier later meldt Alexander zich bij de receptie. Een misverstand. Hem was verteld om 9 uur op te draven, mij was verteld dat hij er om half negen zou zijn. Alvorens op pad te gaan neem ik voor de zekerheid het programma met hem door. De begraafplaats? Daar ben ik te jong voor, die kunnen we overslaan, maar hoe zit het met het museum om de hoek met naar het schijnt een mooie collectie precolumbiaanse objecten? Tja, dat kost geld en staat niet op zijn lijstje. Hij belt met zijn baas – al weer een Nederlander – die een bezoek goedkeurt. Voor het hotel staat geen auto te wachten, maar godbetert een koetsje! Ik bijt op mijn tong en ga naast de koetsier zitten, op naar de eerste bezienswaardigheid: het oude spoorwegstation. Daarvan mag ik de opgeknapte voorgevel bewonderen, maar de binnenkant dan en de treinen die er staan? Tja, dat kost geld. “Hoeveel dan wel?” wil ik weten. Een lullige dollar. “Nou, die betaal ik dan wel uit eigen zak.” Opgelost. Hoewel ik sterk de indruk krijg dat die ene dollar is bedoeld om de bewaker de poort open te laten doen, verder niets. Hij is gaarne bereid de tegenwaarde in Córdobas te accepteren, het geld verdwijnt in het borstzakje van zijn overhemd. Een kaartje voor mijn plakboek te vragen zou tegen de etiquette zijn. Niet alleen de poort gaat open, als extraatje krijg ik een mooi verhaal op de koop toe. Toen de Nicaraguaanse Spoorwegen op 31 december 1993 werden gesloten en President Violeta Chamorro – de weduwe Pedro Joaquín Chamorro, de tijdens het Somoza-bewind vermoorde eigenaar van de oppositionele krant La Prensa – de opdracht gaf om het rollend materieel en de rails voor de schrootwaarde te verkopen, was de lijn totaal ontmanteld voordat iemand het in de gaten had. Rails weg, bielsen weg. Niet omdat er daadwerkelijk was gesloopt of jacht op oud ijzer was gemaakt, het ging om het hout! Gejat door de straatarme omwonenden van de spoorlijn die het goed konden gebruiken om hun kookvuurtjes te stoken. “Het brandt voor eeuwig,” meldt de bewaker uit eigen ervaring. Ik heb de afgelopen weken dagelijks mensen met brandhout zien sjouwen, geen teken van weelde of van een hoge graad van economische ontwikkeling. Nicaragua is het op één na armste land van het Amerikaanse continent, na Haïti en nog net – maar niet veel – ietsje armer dan het buurland Honduras.

wordt vervolgd