NICARAGUA – REIS LANGS EEN ONZICHTBAAR KANAAL - 38 (15082016)

Donderdag 17 maart 2016 – Granada
Op de stukken rails die er nog wel liggen – en die waarschijnlijk niet konden worden gesloopt omdat er voertuigen op stonden – staat een verlepte stoomlocomotief aan de ene kant van het stationsgebouw, aan de andere kant staan het verwaarloosde presidentiële rijtuig en rare van oranje kunststof gemaakte lage wagons zonder interieur, die ooit passagiers vervoerden. Op de kolenwagen achter de locomotief staat FC. del P. de N. volgens mijn begeleider betekent dat “Ferrocarril del Pueblo de Nicaragua - de Spoorwegen van het Nicaraguaanse Volk” Aardig bedacht door de op school en universiteit revolutionair geïndoctrineerde jongeman, in werkelijkheid betekent het Ferrocarril del Pacífico de Nicaragua. De spoorlijn liep naar de havenstad Corinto, volgens de hoog in het station gemetselde steen, 187 kilometer en 91 meter verderop. In het met Spaans ontwikkelingsgeld opgeknapte gebouw worden tegenwoordig toekomstige horecawerknemers opgeleid. Naast het presidentiële rijtuig staat het luik van een klaslokaal open. Er wordt geoefend met het maken van een goede kop koffie en het correct uitserveren ervan. De meisjes en jongens in opleiding lopen er piekfijn bij: witte blouse of overhemd en zwarte rok of pantalon, zwart vlinderstrikje. Op mijn vraag of ik hier een kop koffie kan drinken, krijg ik het menu en wordt Valeria aangewezen om wat ze heeft geleerd in de praktijk te brengen. Ze is duidelijk zenuwachtig, haar medestudenten, met de handen keurig op de rug, kijken toe. De instructeur geeft aanwijzingen: “niet bang zijn” en “rustig aan,” die resulteren in een smakelijk bakje Nicakoffie.

Terug in het koetsje rijden we naar het oude ziekenhuis dat grotendeels door een schutting aan het oog wordt onttrokken. Door een gat in de omheining maak ik foto's van wat er nog over is van het verlaten complex, waardoor ik later zie dat alleen de muren nog overeind staan. Op een gelikte affiche wordt aangekondigd dat de ruïne van het meer dan 100 jaar oude bouwwerk in oude glorie zal worden hersteld, zonder dat er een einddatum bijstaat. De argeloze passant heeft dus geen flauw idee dat ruim vier jaar eerder een begin is gemaakt met het verwijderen van illegale aanbouwsels en dat er toen geen geld meer was om ander werk uit te voeren. Het wachten is op een Spaanse ontwikkelingsbijdrage... Volgende stop: Iglesia la Merced, waarvan de eerste steen in 1534 werd gelegd. Na te zijn verwoest, werd de kerk rond 1780 herbouwd, daarvan staat alleen de barokke voorgevel nog overeind. De rest werd nogmaals verwoest en in het midden van de 19e eeuw opnieuw herbouwd, daarna was de klokkentoren aan de beurt, die werd in 1889 in gebruik genomen. Die toren is vandaag het drukst bezochte deel van de kerk, vanuit de galmgaten is er namelijk een aardig uitzicht over de stad. Ik kan me vandaar in ieder geval een stuk beter oriënteren. Een paar blokken naar rechts ligt het lichtgroene marktgebouw, dat zet ik vast voor zaterdag op het programma. Links ligt aan het Parque Central de kathedraal, die eveneens met veel vallen en opstaan uiteindelijk in 1972 werd opgeleverd. Niet veel bijzonders in mijn niet-katholieke ogen. Het bezoek aan het laatste religieuze bouwwerk, het Convento de San Francisco, maakt veel goed. De façade die volgens veel websites een lichtblauwe kleur heeft – soms met foto om dat te bewijzen – is vandaag spierwit, als de middagzon erop schijnt doet het pijn aan je ogen. Bijzonder vind ik het rode ovaal hoog in de gevel met daarin een wit kruis, niet ongewoon voor een kerk. Wat wel ongewoon is, zijn de twee armen waarvan de handen op de uitersten van de kruisbalk zijn bevestigd, de ene arm bloot, de andere in een mouw gestoken. Een symbool van de Franciscanen dat me nooit eerder is opgevallen, maar dat hier dusdanig opvalt dat het niet gemist kan worden. In de ruimte die voorheen het koor van de Kloosterkerk was, zijn wat bruiklenen van het Museo Nacional te zien én een afbeelding van het “juego del volador.” Dat doet mij nogal denken aan de Meiboom: dansers aan de voet en twee zwevende mannen – voladores – aan een touw in de hoogte, die langzaam naar de aarde afdalen. Destijds een religieuze ceremonie aan het einde van de oogsttijd.

Mi Museo is gevestigd in een koloniaal huis waarin een deel van de collectie precolumbiaanse ceramiek van de Deen Peder Kolind is te zien. Die bestaat uit aangekochte stukken alsmede vondsten van door hem gefinancierd archeologisch onderzoek. Indien nodig werden die vondsten in het museum gerestaureerd, ik word zelfs rondgeleid door een hier opgeleide restauratrice. Het barst er werkelijk van de op grote sloffen lijkende urnen en fleurig gedecoreerd aardewerk dat geschenken voor de doden bevatte om eventuele hindernissen uit de weg te kunnen ruimen tijdens de reis van hun ziel naar de laatste rustplaats in het hiernamaals. Kleine beeldjes van vooral vrouwen, Pataky potten uit de omgeving van Rivas in de vorm van een jaguar, kruiken met de kop van een dier waarvan de geopende bek als tuit diende én een totaal andere uitleg met betrekking tot de vorm van de urnen: dat ze op de buik van een zwangere vrouw lijken, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat men in reïncarnatie geloofde. Een slag in het duister die goed bij de dood past, vind ik.

wordt vervolgd