NICARAGUA – REIS LANGS EEN ONZICHTBAAR KANAAL - 40 (22082016)

Vrijdag 18 maart 2016 – Granada – Managua – Granada
Via de allee met de gekleurde bomen van metaal, volgens Alexander omzomen die de route naar de presidentiële residentie, rijden we naar het Parque Central – het Centrale Plein. Het Museo Nacional is vandaag zowaar open voor het publiek, maar is helaas ook het reisdoel van flink wat schoolreizende scholieren en studenten. Door onze route strategisch te kiezen – de tegenovergestelde richting nemen die iedereen neemt – ontsnappen we daar aan. De bonus voor het noodgedwongen tegen de wijzers van de klok in te gaan, is dat we de Nicaraguaanse geschiedenis van prehistorisch tot koloniaal vrijwel chronologisch blijken te volgen! Na de eerste menselijk voetafdrukken van Acahualinca op de oever van het Nicaraguameer en wat ribben en ruggenwervels van een mammoet, wordt in een paar schemerige zalen een overdaad aan precolumbiaans keramiek getoond, zowel gebruiksvoorwerpen als rituele objecten. De ietwat achterhaalde presentatie is bijna een verademing omdat er – vrijwel zeker door geldgebrek – nog niet is geïnvesteerd in multimedia presentaties die tegenwoordig in soortgelijke West-Europese musea min of meer de norm zijn. Wat mij betreft zorgt het ervoor dat ik me beter kan concentreren op wat er is te zien, zonder te worden afgeleid door flitsende beelden en/of geluid dat tekst en uitleg over het getoonde geeft. Ik bekijk – of bewonder – wat er staat en lees af en toe de minieme verklarende teksten en ontdek zo onder andere een interessant detail in de verschillende incensarios. Dat zijn de uit twee met de brede onderkant tegen elkaar geplaatste conische vormen samengestelde terracotta reukvaatjes waarin kruiden of welriekend hout werd gebrand. Saai van kleur, maar met mooie handgreepjes op “de deksel” – dieren of mythische figuren – en met een opengewerkt cruz indigena, dat destijds de plaats van de mens in het universum symboliseerde.

De overgang van de precolumbiaanse tijd naar het Spaanse koloniale tijdperk wordt vormgegeven door erg veel panelen waarop onder meer de ontmoeting tussen el Cacique y el Capitan uitgebreid wordt beschreven. De veelbesproken eerste kennismaking op 5 april 1523 tussen het stamhoofd Nicarao of Nicaragua, die eigenlijk Macuil Miquiztli zou hebben geheten, en de Spanjaard Gil González Dávila. Als illustratie (bewijs?) hangt er een bord bij waarop de cacique zou staan afgebeeld en dat terwijl Fernando Silva Espinoza, schrijver en lid van de Nicaraguaanse Academie voor de (Spaanse) Taal, ervan overtuigd is dat Nicarao een verzinsel is van Spaanse chroniqueurs dat naderhand ten onrechte werd overgenomen door Ephraim Squier in zijn standaardwerk “Nicaragua: Its People, Scenery and Monuments.” De brug tussen het prekoloniale en koloniale Nicaragua wordt geslagen door el Güegüense, muzikaal straattheater dat in de 17e eeuw zou zijn ontstaan als een milde vorm van verzet tegen de Spaanse bezetting. Het gaat over ontmoetingen tussen een voorheen machtige leider – el Güegüense – en de Spaanse koloniale autoriteiten, die keer op keer onder de tegen hem geuite beschuldigingen weet uit te komen door de confrontatie uit de weg te gaan. El Güegüense doet net of hij er alles aan doet om aan de wensen van de bezetter te voldoen, maar draait hen ondertussen een rad voor de ogen zonder dat ze dat doorhebben én komt daarmee weg. De arrogante Spaanse heersers worden geportretteerd als de domme vertegenwoordigers van het gezag die het afleggen tegen de boerenslimheid van de lokale bevolking. Tegenwoordig wordt het in de tweede helft van januari opgevoerd in het stadje Diriamba, waar het ontstond, tijdens het feest ter ere van de schutspatroon San Sebastián, maar ook elders in het land. De rolverdeling en de aankleding liggen vast, de acteurs dragen net als toen houten maskers. Het heeft wel iets weg van een carnavalsoptocht, iedereen die eraan deelneemt is iemand anders in een verhaal met zang, dans, muziek en bovenal een moraal. Unieke folklore die in 2008 door de UNESCO als Immaterieel Cultureel Erfgoed werd erkend. Daarna stelt de hedendaagse schilderkunst, op een enkele uitzondering na, niet al te veel voor mede omdat de doeken totaal verkeerd hangen: in de hoogte. Nu vind ik het niet erg om figuurlijk tegen kunst op te kijken, maar letterlijk liever niet. Het werk van Armando Morales past wel in de revolutionaire sfeer. Zo valt het gelijk op dat de geportretteerde revolutionairen dezelfde bijna kniehoge veterlaarzen dragen die Sandino aan heeft op het monument schuin tegenover het museum.

Hoezeer het koloniale verleden en het moderne Nicaragua met elkaar zijn verbonden, meen ik vervolgens te zien tijdens het bezoek aan de kathedraal van Managua. Een verschrikkelijk lelijke betonnen kolos waar buiten de armen in de rij staan omdat er zo dadelijk eten wordt uitgedeeld en waar het binnen eerder op een buurthuis lijkt dan een serieus godshuis. In de banken vooral veel vrouwen en kinderen die met elkaar aan het bijpraten zijn, de kleuren van het Vaticaan – grijs en geel in deze – overheersen, een beeldje van de Poolse Paus alsof hij al heilig is verklaard, tips van hoe je het beste kunt biechten. Maar pas als ik weer buiten ben, valt me de batterij betonnen koepels op het dak op, de koepels waardoor het licht op dezelfde manier naar binnen valt als dat ik aan het begin van mijn reis zag in de uit de 18e eeuw daterende basiliek-kathedraal van Léon.

wordt vervolgd