|
SENEGALESE ZOUAVEN EN DIE VAN OUDENBOSCH (30072016) Voor de Basiliek van de Heilige Agatha en Barbara staat een monument van Paus Pius IX met aan zijn voeten een gewonde soldaat. Een zouaaf. Binnen klinkt uit de hoge koepel het door een Italiaanse tenor – Andrea Bocelli? Luciano Paverotti? – gezongen “You'll never walk alone.” Dat is nogal onverwacht, maar bij nader inzien past de tekst eigenlijk prima in deze gewijde omgeving die trouwens ook zonder dat lied vertrouwd aandoet. De voorgevel van de kerk is “geleend” van de Sint Jan van Lateranen in Rome en de rest is gebaseerd op de Sint Pieter in Vaticaanstad. In 1993 bezocht ik in Yamoussoukro, de hoofdstad van de Ivoorkust, een net iets grotere versie van de Sint Pieter, de door ex-president Houphouët-Boigny midden in het regenwoud gebouwde Basilique de Notre Dame de la Paix. Wat verder in Oudenbosch vertrouwd aandoet, is het interieur van de door Pierre Cuypers ontworpen kerk. Dezelfde architect die naderhand het Rijksmuseum en het Amsterdamse Centraal Station zou ontwerpen. Zijn “handtekening” is onmiskenbaar aanwezig. Het initiatief voor de bouw van de in 1882 ingewijde kerk werd genomen door pastoor Willem Hellemons, die een blijvende herinnering aan de Pauselijke zouaven wilde oprichten. Voor het mede door hem geworven Nederlandse contingent van jonge ongehuwde katholieke mannen die via Oudenbosch en Marseille naar de toen nog binnen de grenzen van het huidige Italië liggende Kerkelijke Staat vertrokken. Ze reageerden daarmee op een oproep van Paus Pius IX om hem en de Kerk te komen beschermen tegen de pogingen van Koning Victor Emmanuel van Sardinië en Guiseppe Garibaldi om Italië te unificeren en al doende het meer dan duizend jaar oude onafhankelijke land, waarvan hij staatshoofd was, in te lijven. Vanuit heel Europa trokken jonge mannen richting Rome, tevergeefs. Het slecht bewapende en matig getrainde zouavenleger werd keer op keer verslagen en op 20 september 1870, een dag na de inname van Rome, ontbonden. Als ik bijna anderhalve eeuw later hun geschiedenis lees, dan hebben de zouaven van toen wel iets gemeen met de jihadisten die anno nu naar het Midden-Oosten trekken om het Kalifaat te gaan verdedigen. Hoe ik daar in West-Brabant terecht kwam, zit zo: in de Eerste Wereldoorlog werden tijdens de Slag bij Verdun aardig wat dorpen in de omgeving totaal verwoest en na de oorlog niet herbouwd. Bij het begin van de vrijwel onzichtbare bosweg naar Haumont près Samogneux, een dorp dat even ten noorden van Verdun lag, staat op de oude wegwijzer onder de plaatsnaam: “village anéanti en 1916 – dorp vernietigd in 1916.” Op het enige straatnaambordje staat Carrefour du Sénégal, met als toevoeging “hulde aan de Tirailleurs die het dorp heroverden.” Er tegenover staat naast een half verwoeste bunker een levensgrote foto van een Franse korporaal met kepi op het hoofd en fiets in de hand en een winters geklede Afrikaanse soldaat met een helm, een Tirailleur Sénégalais. In juni 2016, zo'n 100 jaar na de Slag bij Verdun, ben ik op reis door Senegal. Gelijk op de eerste dag al zie ik voor het oude station van Dakar een standbeeld dat nogal op die foto bij de bunker lijkt, hetzelfde tweetal doch zonder de fiets. De Fransman op la Place de Tirailleur van Dakar heeft een winterjas aan, de Senegalees draagt geen helm maar een muts, een zouavenmuts. Tegenover Saint-Louis, de voormalige Franse koloniale hoofdstad waar dat korps in 1857 werd opgericht, ligt de Langue de Barbarie, een eiland dat met een brug aan de stad vastzit. Direct na de brug een stoer monument waarop twee tirailleurs staan afgebeeld die net zo dik zijn gekleed als die op de foto in Haumont: “St LOUIS A SES MORTS – GUERRE 1914 – 1918” verklaart de gedenksteen. Iets verderop bekijk ik de slecht onderhouden erebegraafplaats en op de laatste dag van mijn reis bezoek ik in Thiaroye, een voorstad van Dakar, het monument ter ere van de gedemobiliseerde tirailleurs die daar eind 1944 tijdens een protest, waar betaling van achterstallige soldij uit de Tweede Wereldoorlog werd geëist, door Franse gendarmes werden neergeschoten. In het kleine museum lees ik dat de tirailleurs ook wel zouaven werden genoemd. Weer thuis vind ik op YouTube een paar best schokkende docu's over hoe de Fransen de Afrikaanse troepen – die deels lang krijgsgevangen hadden gezeten – na afloop van de oorlog hadden behandeld en dat ze niet wisten hoe snel ze die weer naar Afrika terug moesten varen. Verder zoek ik op het internet naar “zouavenmuts” – hun karakteristieke rode hoofddeksel – en ontdek zo geheel onverwacht het Zouavenmuseum van Oudenbosch dat is gewijd aan de uit ons land afkomstige Pauselijke Zouaven uit de 19e eeuw. En ook dat ze dankzij de Franse luitenant-kolonel de Becdelièvre gekleed waren in een aan het Romeinse klimaat aangepaste versie van het koloniale zouavenuniform. Het is in het museum te bewonderen, net zoals vaandels, de lijst met de gesneuvelde Nederlandse zouaven, een Reiswijzer, het Gebedenboek en de Biechtspiegel, die ik een van de meest curieuze objecten van de collectie vind. Een vel papier waarop in drie talen 27 zonden staan afgedrukt, zodat de zouaaf zijn anderstalige biechtvader kon aanwijzen welke zonde hij had begaan..... Daar eindigt de nooit geplande ontdekkingsreis die ruim een jaar eerder ergens in een bos bij Verdun begon en via Saint-Louis en Thiaroye in Senegal, zowaar in Oudenbosch eindigt. |