|
DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 26 (11102016) Vrijdag 24 juni 2016 – São Vicente – Santo Antão – São Vicente Bij de passagiersterminal van Porto Novo word ik opgewacht door Ailton, een rastafari, die mij vandaag zal begeleiden. Alvorens op pad te gaan, eerst maar een kop koffie drinken en kennis maken. Een zeer eenvoudige bar, goede koffie, een gesprek van niets. Zoals het hoort in landen met niet al te veel werkgelegenheid is de gids alleen niet genoeg, er gaat ook een chauffeur mee. We nemen de Estrada de Corda, de oude weg via Corda naar Ribeira Grande aan de andere kant van het eiland. De weg gaat berg op, de weg slingert, de weg hobbelt want het wegdek bestaat uit kasseitjes, de kasseitjes die ik me nog herinner van het eiland Boa Vista dat ik een paar jaar geleden bezocht. In tegenstelling tot dat eilandje kennen zowel São Vicente als Santo Antão geen massatoerisme en all inclusive resorts, waardoor ik geen andere toeristen tegenkom. Dat geeft een gevoel van exclusiviteit, heerlijk! Links van de weg een paar zoutpannen, dat is de droge kant van het eiland waar het in de luwte van de bergruggen zelden regent. Daar ergens ligt de bijna 2000 meter hoge Tope de Coroa en het meest westelijke punt van Afrika, van dat laatste zie je of merk je overigens niets. Een vulkanisch landschap met door de ochtendnevel verborgen toppen, eenzame boerderijtjes, zowel bewoond als verlaten. Smalle terrassen waarop wordt geboerd maar die er kaal bijliggen, wie weet moet het zaaigoed nog opkomen. Hier en daar een pijnboom en dan opeens wordt het groener. We rijden door een bos van naaldbomen, aloe vera in de berm, beneden op de bodem van een krater perceeltjes waarop landbouw wordt bedreven. In de gehuchten die we passeren hangen eenvoudige thuis op de printer afgedrukte zwart-witte aankondigingen dat het feest van São João Batista – Johannes de Doper – zal worden gevierd met onder andere de “colá sanjon.” Dat is een feestelijke processie met aan het hoofd een beeld van ”Sanjon,” zoals São João in het lokale dialect heet, gevolgd door de trommelaars die een snel en opwindend ritme slaan en dansende Kaapverdianen. Daaronder zijn de mannen die een bootje met een gat in het midden hebben aangetrokken dat als een kledingstuk aan een paar bretels rond hun middel hangt. Vaak hebben ze een zeemanspet op hun hoofd en een overhemd met epauletten op de schouders, zoals ik het ooit al eens op Boa Vista zag. Allemaal stukken kleurrijker dan de beloofde kleurrijke dorpjes waar we tot nu toe nog niet doorheen gekomen zijn, daar staat soms dan wel een saai op een kiosk lijkend afgesloten gebouwtje met de veklarende tekst dat het hier om het door de Europese Gemeenschap betaalde PROJ. AGRO SILVO PAST gaat. Volgens Ailton wordt er melk en kaas verkocht, als het er is tenminste. Naderhand kom ik aan de weet dat het voluit een “agro silva pastorica” project betreft, waarbij met name in droge of ontboste gebieden bosbouw en veehouderij worden gecombineerd. Zo wordt het frisse groene naaldbos waardoor we een paar kilometer terug reden zo maar verklaard. wordt vervolgd |