DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 31 (30102016)

Zondag 26 juni 2016 – Ilha de Santiago
Een gat in een haag langs de weg waardoor op een rommelig erf een primitieve trapiche, een pers, is te zien. “Daar wordt grogue gestookt,” zegt Orlando met een air van deskundigheid. We parkeren de auto, lopen het erf op, groeten de twee mannen die daar, naar ik zonder meer aanneem, grogue zitten te drinken en vragen of we even rond mogen kijken. Dat mag. De pers is duidelijk niet zo'n kant en klare die je hier waarschijnlijk toch niet in een winkel zou kunnen kopen, maar een eenvoudig huisvlijt exemplaar. De onderste helft bestaat uit een solide blok natuursteen waar niet teveel mee is geklooid, van de bovenkant is een flink stuk weggehakt op twee op boekensteunen lijkende stukken na. Tussen die “steunen” is een metalen korf – type vuurmand – gemonteerd waarin het te persen riet wordt gedaan, dwars daar bovenop zijn twee boomstammetjes van ergens tussen de twee en drie meter gemonteerd die nodig zijn om met een houten draaischijf druk op het riet te zetten en zo het sap eruit te persen. Dat doet me gelijk denken aan de koloniale suikermolens in bijvoorbeeld het noord-oosten van Brazilië waar die stammetjes werden voortbewogen door slaven of ezels of ossen. De Kaapverdianen hebben in het onderste blok een gootje gehakt waarin het geperste sap afloopt. Als je de armen en de korf even wegdenkt, dan vind ik het geheel nogal op een pisbak lijken, dat is tenminste de omschrijving die spontaan bij mij opkomt. Een paar meter verder staat een slordige met grote vulkanische stenen gemetselde “distilleerketel” die als zodanig wordt verraden door de op een douchestang lijkende pijp die uitsteekt en waarmee de grogue in een goed gecamouffleerde pan wordt opgevangen. De mannen drinken het spul uit een kroes, ik mag een slokje proeven. Ze zijn duidelijk teleurgesteld als ik geen half litertje voor onderweg wil kopen, maar ik vind het eerlijk gezegd niet om te zuipen.

Een half uur later rijden we door het stadje Assomada waar de weinige zondagshandel op de stoep ligt uitgestald, echte straathandel dus. Het borstbeeld van Amílcar Cabral dat Orlando mij wil laten zien, wordt aan het oog onttrokken door de schutting die er omheen staat, er tegenover ligt een fleurige collectie gebruikte beha's en slipjes op klanten te wachten. Dat dit goede handel is in minder rijke landen, weet ik uit de Domicaanse Republiek en Haïti en zag ik een paar jaar geleden in een tv-reportage over een vrijwilligersproject in de Verenigde Staten waar een groep vrouwen gebruikte beha's inzamelde, die vervolgens naar Mozambique – een andere voormalige Portugese kolonie – verscheepte om daar door bevrijde sexslaven te worden verkocht om hen aan een inkomen te helpen. In Achada Falcão, even buiten het stadje, staat een bord dat verwijst naar de Núcleo Museológico Casa Amílcar Cabral, dat is gevestigd in het huis waar de leider van de onafhankelijkheidsbeweging van Guinee-Bissau en Kaapverdië tijdens zijn lagere schooljaren heeft gewoond. Anderhalf jaar geleden werd het met veel bombarie ingewijd door de President en daarna onmiddellijk in het vergeetboek te zijn beland. De verlaten indruk die het maakt en het hoog opgeschoten gras en onkruid in de tuin er omheen roepen dit beeld tenminste op, hetgeen na mijn reis in een lokale krant wordt bevestigd. Hoewel ik een paar jaar geleden kort op het naar Amílcar Cabral genoemde vliegveld van het eiland Sal stond, heb ik op São Vicente niets gezien dat aan hem herinnert. En dat terwijl hij in 1937 met zijn moeder Iva Pinhel Évora naar Mindelo verhuisde en daar tot 1943 op het Liceu Gil Eanes studeerde. Ruim een jaar later zou hij dankzij een studiebeurs in Lissabon agronomie gaan studeren en politiek bewust en actief worden. Uiteindelijk zou Cabral de onafhankelijkheid van Guinee-Bissau en Kaapverdië - in september 1974 – niet meemaken omdat hij anderhalf jaar eerder werd vermoord door Guinese “kameraden” die zich verzetten tegen de “dominantie door Kaapverdianen van de bevrijdingsbeweging.” In het blog “Esquina do Tempo” staat enigszins klagend dat ondanks dat Cabral in zijn vormende jaren op São Vicente woonde, Mindelo “o único centro urbano onde não existe uma estátua, um busto, uma avenida ou uma rua com o seu nome” is. Hoewel ik me kan voorstellen dat het oprichten van een monument in economisch mindere tijden geen hoge prioriteit heeft, kost het veranderen van de naam van een straat of plein toch weinig geld of moeite? Het artikel vervolgt: “A ligação de Amílcar Cabral à toponímia da cidade – de link tussen Cabral en de toponymie van de stad bestaat slechts uit het omdopen van de Praça Nova, maar die naam was zo ingeburgerd bij de inwoners van Mindelo, dat die nooit wortel heeft geschoten. Hetzelfde geldt voor de pogingen om de Rua de Lisboa om te dopen in Rua de Libertadores de África en de Praça Estrela in Praça de Independéncia.” Waarschijnlijk staan de monumenten voor de Portugese vliegers die als eersten de zuidelijke Atlantische Oceaan overstaken en van Don Diogo Alfonso, de Portugese ontdekker van het eiland, er daarom ook nog steeds.

slot volgt