...EN DE WOORDEN DANSEN (27072018)

Bijna bekroop mij een schuldgevoel toen ik gisteren op de déchetterie van mijn Franse woonplaats – de grofvuilstortplaats die in Nederland zo overdreven “milieupark“ wordt genoemd - een oude matras met binnenvering in de container kiepte. Terwijl ik het ding over het randje duwde, schoot me te binnen dat de kale veren die erin zitten zo nu en dan door beeldend kunstenaars voor het maken van een kunstwerk worden gebruikt. Zo stond ik een week of wat geleden nog bij Galerie Mikst Media in Woudrichem “... en de woorden dansen“ van Gonneke Verschoor te bewonderen, een object dat grotendeels uit een mooi geoxideerde matrasveer bestaat. Terwijl ik eerder dit jaar in Kunsthal KAdE te Amersfoort verrast werd door de matrasveer die de Zuid-Afrikaanse Bronwyn Katz voor haar werk “Orkaan Kwaatjie“ had gebruikt. Die laatste heeft in haar oeuvre trouwens meerdere werken die afgedankte matrasveren of de schuimrubberen bekleding van een bed of matras als hoofdbestanddeel hebben. Even, heel even maar, bekroop me daarom het gevoel dat ik misschien wel een potentieel kunstwerk over het randje van de afvalbak had geduwd. Zoals gezegd, heel even maar.

Mede doordat ik ooit een paar jaar in Kaapstad heb gewoond en gewerkt en veel in de West- en de Noordkaap heb rondgereisd, viel het me op dat de door de kunstenaressen gebruikte matrasveren min of meer een weerspiegeling waren van de omgeving waar ze waren gevonden en vervolgens deel uit waren gaan maken van een kunstwerk. Die door Gonneke ergens aan de Maas gevonden matrasveer – het tijk zat er deels nog wel om, maar was vergaan, vertelde ze me – was niet tot op de draad versleten, best nog bruikbaar, zag er redelijk stevig uit: degelijke vaderlandse kwaliteit die ondanks een verblijf in het water en de open lucht niet zomaar naar de knoppen was gegaan. Een reflectie als het ware van een goed geordend en maatschappelijk rustig land. De veren in het werk van Bronwyn daarentegen waren letterlijk stuk geslapen en staken alle kanten op: wat maatschappelijke onrust, soms zelfs anarchie, slecht verdeelde welvaart en armoede zoals ik het destijds met eigen ogen zag in post-apartheid Zuid-Afrika. Beide kunstenaars hebben elementen toegevoegd aan de matrasveer: Bronwyn willekeurig verspreid ronde stukken piepschuim die waarschijnlijk in de bijbehorende matras hebben gezeten, Gonneke in het midden van de veer drie keurig parallel lopende rechte rijtjes met ieder 18 witte keramieken schijfjes waarin een woord staat, een “vergeetwoord”.

“Spijkerbed“ is het eerste het beste woord dat me te binnen schiet om de brug te kunnen slaan tussen Gonneke's matrasveer en het keramische wandtapijt “Stella“ waar ik een paar weken eerder in het huis van een goede vriendin kennis mee maakte. Dat werk bestaat uit een aantal roestvrijstalen platen met strak geordende rijtjes pinnen erop die, met een beetje fantasie, op een spijkerbed lijken, hoewel de pinnen stukken verder uit elkaar staan en strakker zijn georganiseerd dan de spijkers op het gemiddelde spijkerbed. Op die pinnen zijn 600 aardewerken schijfjes met een bovenlaag van engobe – een dun laagje klei dat decoreren mogelijk maakt – bevestigd, die door de kunstenares “knopen“ worden genoemd. Terwijl de knopen van iedere plaat dezelfde doorsnede hebben, heeft iedere knoop een wel een eigen decor, een eigen karakter. “Knopentapijt“, zoals deze objecten ook wel worden genoemd, vind ik eigenlijk wel een mooie benaming die tegelijk mystiek genoeg is om meer te willen weten over het“waarom?“ ervan. De fascinatie van de kunstenares voor knopen ontstond ooit bij een bezoek aan een grote knopenwinkel in Amsterdam.“Laatjes en vitrines vol gesorteerde knopen. De eenvoud en herhaling van de vormen sprak me aan.” Sindsdien werkt ze met haar keramieken en porseleinen knopen die ongeacht hun grootte of uiterlijk dezelfde functie hebben: ze worden gebruikt om kleine en grote keramische wandtapijten “te knopen”. In de galerie is slechts ruimte voor wat kleinere tapijtjes, stukken kleiner dan het “tapijt” met vele duizenden knopen dat Gonneke ooit nog eens hoopt te kunnen knopen.

In het object “...en de woorden dansen” denk ik ook te kunnen zien dat de maakster van oorsprong Neerlandica is. Op ieder van de 54 schijfjes die het werk telt, staat een woord dat in het vergeetboek dreigde te raken, maar dat dankzij het radioprogramma “de Taalstaat” levensverlenging kreeg door het door een luisteraar te laten adopteren. Die ontvangt een adoptiebewijs en belooft plechtig goed voor het “vergeetwoord” te zullen zorgen en het weer veelvuldig te gaan gebruiken. Woorden als minnekozen, twijfelaar, zwalken, tureluurs. Woorden als frappant (dat door Gonnekle werd geadopteerd), ravotten, beduusd en ommetje. Woorden als zwalken, kapotje, euvel en nog een paar honderd meer. Allemaal woorden die mij nog redelijk vertrouwd in de oren klinken en me daardoor doen beseffen dat ik al meer dan de helft van mijn leven buiten het Nederlands taalgebied woon. Misschien zou ik uit pure nostalgie eens moeten overwegen om die matras met vergeetwoorden aan de muur van mijn slaapkamer te hangen en dan zelf een tijdje op de vloer te gaan slapen.