COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 3 (09042017)

Woensdag 1 maart 2017 – Bogotá
Op de trappen van de kabelbaan van de Cerro Monserrate zitten vier in wit habijt geklede nonnen. Ze hebben zwarte kruisjes op hun voorhoofd, 't is Aswoensdag borrelt er uit mijn diepste geheugen op. Toen ik eerder op de dag een paar mensen met “iets zwarts” op het voorhoofd zag, dacht ik eerlijk gezegd dat het een hier in zwang zijnde vorm van make-up was..... USTED SE ENCUENTRA A 3.127 M.S.N.M. – U bevindt zich op 3.127 meter boven de zeespiegel. Op de top van de berg staat een kerk die, zo hoor ik een dag later van iemand anders, boven op een dode vulkaan zou zijn gebouwd. “Geen lavavulkaan hoor,” wordt er ter geruststelling bij gezegd, “maar eentje die watererupties had.” De kerk zou zijn gebouwd om de vulkaan te beteugelen om zo de aan de voet van de berg gelegen stad te beschermen. Ik vind het een mooi bedacht en tegelijkertijd buitengewoon onwaarschijnlijk verhaal. Ondertussen geniet ik van het uitzicht over de stad die zich eindeloos lijkt uit te strekken op de vlakte beneden. De stad die in 1538 door de Spaanse “conquistadores” werd gesticht als Santa Fé de Bogotá, dat wil zeggen nadat ze tijdens hun zoektocht naar het goud van El Dorado de savanne van Bogotá van de daar wonende Muiscas hadden afgepikt. En dan te bedenken dat de Muiscas, net als de Maya's, de Azteken en de Inca's zich destijds qua beschaving tenminste op hetzelfde niveau bevonden als de Europeanen, doch geen vuurwapens hadden of agressieve bedoelingen zoals de Spanjaarden. Als je, voor zover ik weet, destijds afkomstig was van een continent zonder goudmijnen, dan begreep je gelijk de waarde die zoiets exclusiefs op de thuismarkt had. Zoals dat ging met meerdere metalen – denk aan de Zilvervloot van Piet Hein – het suikerriet en de koffie tot en met hoogst noodzakelijke natuurlijke rubber uit het Braziliaanse Manaus voor de autobanden van nog maar iets meer dan een eeuw geleden tot en met de cocaïne van tegenwoordig.

Ter afsluiting van het “officiële” programma voor vandaag maken we een wandeling door het stadsdeel La Candelaria. Oude huizen en huisjes, smalle sfeervolle straatjes, overdadig veel en wat mij betreft behoorlijk misplaatste muurschilderingen en graffiti die afbreuk doen aan het karakter van de oudste wijk van Bogotá. Voordat we echter goed en wel onderweg zijn, begint het zachtjes te regenen. Dan eerst maar een koffiepauze inlassen, het door Juan geplande terrasje is overvol, eentje verderop dan maar. Het begint harder te regenen, te stortregenen, een bui die vervolgens overgaat in een enorme hagelbui die ruim een kwartier duurt! We hebben een schuilplaats onder een balkon gevonden die het lichaam droog houdt tot op ongeveer kniehoogte, daaronder worden we zeiknat geregend en gehageld én nat gespetterd door de passerende auto's. En dat terwijl het regenseizoen pas tegen het einde van de maand zou horen te beginnen. Juan schuift de schuld gelijk op el Niño, ik lijd in stilte en denk met enige weemoed aan de hittegolf die ik in Buenos Aires achter me heb gelaten. Als de bui gaat liggen, wordt de wandeling voorgezet. Handig om me te oriënteren wat betreft de musea die ik later in de middag op eigen gelegenheid wil gaan bezoeken, maar met erg weinig echte hoogtepunten. Aardig is de gevel van een bar die is gedecoreerd door de graffitiartiest DjLu, waarvan ik de “stencils,” de met behulp van een sjabloon gemaakte afbeeldingen, die tegen oorlog en geweld protesteren: een oorlogsslachtoffer met een geweer als kruk, een wandelaar met een parapluie om zich tegen het geweld te beschermen, een handgranaat in de vorm van een ananas heel wat origineler vind dan de ietwat mystieke muurschildering waarvan ze deel uitmaken.

In de buurt van het presidentiële paleis en het parlementsgebouw wordt de passant nadrukkelijk herinnerd aan de gewapende vrede die er in Colombia heerst. Dranghekken en controleposten waar gewapende militairen de inhoud van tassen en zo willen zien, er wordt tot mijn verbazing echter geen metaaldetector langs het lichaam gehaald en er wordt niet gefouilleerd. Waar de agenten van het politiebureau bij mij in de buurt in Buenos Aires mij kwamen verbieden om de gevel van het door een bekende architect ontworpen gebouw te fotograferen, vinden de in fraai uniform geklede wachtlopende leden van de Guardia Presidencial het geen enkel probleem dat ik hen op de foto wil zetten, inclusief de toegangspoort naar het paleis. Nu interesseerden die wachtposten noch het paleis, noch die fraaie uniformen mij. Wat ik curieus vond was de paraplu die ergens op hun rug was bevestigd om het uniform droog te houden zodat ze “hands free” hun taak kunnen vervullen. In deze buurt heerst opvallend veel officiële activiteit, mannen in pakken en uniformen, veel met een zwart kruisje op het voorhoofd. “Colombianen zijn heel erg katholiek,” volgens Juan, maar over Afro-Colombianen heeft ie nog steeds niets te melden.

wordt vervolgd