COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 18 (10062017)

Woensdag 8 maart 2017 – San Agustín
Uit een bananendoos vol met afgedankte boeken, door landgenoten in Buenos Aires geschonken om te worden verkocht voor een goed doel, had ik het onooglijke “LAS ESTATUAS AGUSTINIANAS” gevist. Het miniboekje, formaat A6, 13 kleine pagina's tekst en 30 kleine fotopagina's, deel 3 uit de serie “EL ARTE EN COLOMBIA” dat in 1955 was gepubliceerd. In de Spaanstalige tekst, twee maal zo lang als de Engelse en Franse vertaling!, kwam ik een paar keer het bijvoeglijk naamwoord “megalítico” tegen. Geloof het of niet, toen ik in mijn onlinewoordenboek het Nederlandse woord daarvoor zocht, kreeg ik nul op mijn rekest: “We hebben geen vertaling voor megalítico in Spaans<>Nederlands.” Daarna maar geprobeerd met het Engelse “megalith” met als verrassend resultaat “hunnebed”, hetgeen ik nogal twijfelachtig vond omdat de afbeeldingen op de foto's in de verste verte niet op de hunnebedden die ik ken leken. Het boekje bevatte evenmin een aanmoediging om naar San Agustín af te reizen: het stadje was alleen maar te bereiken via een slechte weg, terwijl de toegangsweg maar het archeologische park waarin de beelden staan moeilijk begaanbaar was. Behalve dat de beelden precolumbiaans waren – dat is wat dan ook van voor de Spaanse “conquista” – was er vrijwel niets bekend over degenen die de beelden hadden gemaakt – met als enige lichtpuntje dat het zeker niet de Maya's of de Inca's waren – noch over het hoe en waarom ze waren gemaakt.

Halverwege de 18e eeuw werden de beelden die ik zo meteen ga bekijken als eerste door de Spaanse missionaris Fray Juan de Santa Gertrudis beschreven in zijn boek “Maravillas de la naturaleza – Wonderen der natuur.” In 1839 werd door de toenmalige Colombiaanse regering de Comisión Corográfica geïnstalleerd met aan het hoofd de oud-militair, geograaf en cartograaf Agustín Codazzi. Zoals de naam van de commissie al aangeeft – chorografie is het stelselmatig beschrijven van een bepaald land, gebied of van een bepaalde plaats – was haar opdracht het volledig in kaart brengen en beschrijven van de jonge republiek en haar regio's, waartoe vanaf 1850 jaarlijks expedities werden ondernomen. In 1857, tijdens de achtste expeditie, bestudeerde de commissie de bovenloop van de Río Magdalena en bezocht zij de archeologische schatten van San Agustín. Oud-militair, schilder en cartograaf Manuel María Paz maakte toen, voor zover bekend, tijdens die expeditie de eerste tekeningen van de beelden. Die tekeningen, ik vermoed kopieën, had de Duitse etnoloog/archeoloog Konrad Theodor Preuss bij zich toen hij in 1913/14 in opdracht van het Berlijnse Ethnologisches Museum serieus wetenschappelijk onderzoek naar de San Agustìín cultuur verrichtte en als eerste foto's van de beelden maakte. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kon hij pas tegen het einde van 1919 terugkeren naar Berlijn, zonder echter de door hem opgegraven objecten. Uit zijn eigen beschrijving is niet op te maken of er sprake was van gewenste of minder gewenste export van cultureel erfgoed. De vondsten werden in 1923 geëxposeerd op de binnenplaats van het Berliner Stadtschloss, het voormalige Duitse koninklijke/keizerlijke paleis. Het paleis werd tijdens de Tweede Wereldoorlog deels verwoest door de geallieerde bombardementen en lag na de oorlog in Oost-Duitsland. Alwaar het partijcongres van de communistische partij in 1950 besloot tot afbraak waarna het vervolgens werd opgeblazen. Het paleis, dat momenteel wordt herbouwd, zal op de 250ste geboortedag van de ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt – op 12 september 2019 – officieel worden geopend met de naam Humboldt Forum. Het zal geleidelijk onderdak gaan bieden aan onder andere de collecties van het Ethnologisches Museum, het Museum für Asiatische Kunst en de Humboldt-Universität zu Berlin, die veel objecten bevatten die die afkomstig zijn uit de voormalige Duitse kolonies in Afrika, door de Britten buitgemaakte en daarna deels verkochte Benin Bronzes én de door Konrad Theodor Preuss in San Agustín opgegraven en naar Duitsland meegenomen objecten.

In 1935 werd het Parque arquelógico de San Agustín opgericht dat in 1995 met de volgende inleidende tekst tot Werelderfgoed verklaard: “Het Archeologisch park San Agustín ligt op 2 kilometer van de gelijknamige stad. Het archeologisch gebied strekt zich uit over 2.000 vierkante kilometer en ligt op een hoogte van 1.800 meter. In dit wilde en spectaculaire landschap is de grootste groep religieuze monumenten en megalithische beeldhouwwerken in Zuid-Amerika te vinden. De sculpturen stellen goden en mythische dieren voor en ze zijn vakkundig afgebeeld in stijlen die variëren van abstract tot realistisch. De kunstwerken tonen de creativiteit en verbeelding van een noordelijke Andes cultuur, die bloeide van de 1e tot de 8e eeuw na Christus.” Dat het “religieuze monumenten zouden zijn die goden en mythische dieren voorstellen” berust vrijwel zeker op vermoedens omdat de makers geen geschreven bronnen hebben nagelaten en volgens koolstofdatering van bij de opgravingen gevonden organisch materiaal, de regio uiterlijk rond 1.350 zouden hebben verlaten.

wordt vervolgd