COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 19 (14062017)

Donderdag 9 maart 2017 – San Augustín – Isnos – Popayán
Het heeft de hele nacht geregend, volgens het televisienieuws is het “invierno en Colombia,” winter. Het is behoorlijk afgekoeld, wat wel lekker is voor het bezoek aan het archeologische park van Isnos waar ook wel weer veel geklommen en gedaald zal moeten worden om de grafmonumenten te kunnen bewonderen. Onderweg er naartoe wisselen Aníbal de gids en Harold de chauffeur ervaringen uit over wat hun al zo is overkomen in de tijd dat de revolutionairen en daarna de paramilitairen de baas waren in de regio en er een uitgaansverbod was tussen 5 uur 's middags en 6 uur de volgende ochtend. Beiden prijzen oud-president Álvaro Uribe, die op uiterst verstandige wijze de angel uit het gewapende conflict zou hebben weten te trekken. Waarna Aníbal als een Geert Wilders in de dop begint uit te halen naar de bewoners van de relatief jonge wijk aan de buitenkant van San Augustín. Daar wonen hoofdzakelijk landgenoten die zijn gevlucht voor het geweld in de streek waar ze voorheen woonden en met steun van de overheid proberen een nieuw bestaan op te bouwen. Volgens Aníbal zitten er nogal wat profiteurs tussen die helemaal niet zijn gevlucht voor de guerillas, maar gewoon op het gemakkelijke regeringsgeld zijn afgekomen.......

In het Parque Arqueológico “Alto de los Ídolos” van Isnos staan alle monumenten op een langgerekte open plek in het bos. In een dal met aan de beide uiteinden de graftombes hoog op de toppen van de heuvels en een groot beeld in het midden van het dal, vrijwel op het diepste punt. Qua opzet hebben de tombes inderdaad wel wat weg van de vaderlandse hunebedden, bovengronds althans, twee rijen verticaal geplaatste smallere stenen, waarop een stuk of wat “platen” rusten die als “dak” dienst doen. Daarmee houdt de overeenkomst echter op. Bij de “ingang” staan hier één of meerdere beelden (wachters?), er achter ligt een gegraven ruimte waarin een sarcofaag staat, meestal zonder de gedecoreerde afdekplaat, heel soms met. Een aantal graven zijn erg ondiep en bevatten slechts een mannelijke of een vrouwelijke sarcofaag, hierin werden de doden van eenvoudige komaf begraven. De “vrouwelijke sarcofaag” is te herkennen aan een kleine V-vormige inkeping aan een van de korte zijden. Wandelend van het ene monument naar het andere vertelt Aníbal verder over zijn jaren als “grafrover” en hoe ook de archeoloog Juan Friede Alter, naar wie het kleine museum dat bij het park hoort is vernoemd, uitgebreid uit de graven gejat zou hebben. Met name gouden voorwerpen en kleine beeldjes. “Hoe weet je dat?” wil ik weten. “De archeologen,” zo gaat hij verder, “huurden mannen uit het dorp en betaalden een veel hoger loon dan wat die als landarbeider verdienden. Iedere keer als het dak van een tombe enigszins was gelicht, ging hij met zijn handen in de aarde wroeten om te zien of het de moeite waard zou zijn om het verder op te tillen. Dan stuurde hij de mannen weg om dikkere boomstammen te zoeken om dat te kunnen doen en zagen die vaak van afstand hoe zijn handen heen en weer gingen van het graf naar zijn schoudertas en dat er vervolgens een leeg graf werd aangetroffen of dat er daarna werd gezegd dat het graf toch niet interessant was.” Met andere woorden, het was een afleidingsmanoeuvre om even ongestoord te kunnen jatten. Aníbal zegt zelf “goud geld” te hebben verdiend met de gouden voorwerpen en de keramiek die hij illegaal uit graven heeft gehaald en verhandeld. Én heeft sterke verhalen over andere vondsten die bijvoorbeeld bij het bewerken van het land werden gedaan. Zoals dat van de landarbeider die bij het ploegen een gouden beeldje vond en dat keurig bij zijn baas inleverde. Die zei tegen hem dat het van koper was, maar beloonde hem toch na het aan een lokale handelaar voor een stevig bedrag te hebben verkocht. Die handelaar zou op zijn beurt zijn afgereisd naar Bogotá waar een Fransman er het veelvoud voor zou hebben betaald. “En die had natuurlijk een rijke klant, die er minstens het dubbele voor betaalde.” Uit de duim gezogen om toeristen zoals ik een sappig verhaal te vertellen en zoet te houden? Urban legends? Halve waarheden? “Is er dan geen wetgeving die mensen verplicht om vondsten te melden?” houd ik aan. “Ja, die is er wel, maar de mensen zijn bang.” “Bang? Waarvoor dan wel?” Omdat het meerdere malen zou zijn voorgekomen dat eerlijke vinders, eenvoudige mensen, werden gearresteerd voor grafschennis of grafroof. Aan het eind van de rondleiding wijs ik hem op het onopvallende bord dat naast de ingang van het park staat “ESTE SITIO ES UN BIEN CULTURAL PROTEGIDO – Convención de la Haya 1954.” De conventie van Den Haag. “Weet je wat daar in staat?” Nee, daar heeft Aníbal nog nooit van gehoord.... Weer thuis ontdek ik dat die gaat over de bescherming van cultureel erfgoed in oorlogsgebieden gaat.

wordt vervolgd