COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 21 (22062017)

Vrijdag 10 maart 2017 – Popayán
Nog steeds geen warm water in mijn kamer, men zal het tijdens het ontbijt proberen op te lossen. Omdat er voor vandaag geen vastomlijnd programma is, ook wel eens lekker, neem ik de folder die ik gisteravond bij de VVV heb opgepikt mee naar de ontbijtzaal. De weinige info die erin staat, roept bij mij geen enkele vorm van “dit moet ik per se gaan zien” op. Er zit niets anders op dan het bedienend personeel om tips te vragen. De eerste de beste die ik aanspreek heeft die tot mijn verbazing niet, maar hij zal zijn chef roepen. Die raadt mij aan de even buiten de stad gelegen Hacienda Calibio te gaan bezoeken. Wat er over in de folder staat is niet erg overtuigend, maar wat voor mij de doorslag geeft is dat Simón Bolívar er een paar keer overnacht zou hebben toen hij bezig was de Spanjaarden dit deel van de wereld uit te jagen. Verder suggereert hij om naar de Morro de Tulcán te gaan, vanwaar je een mooi uitzicht over de stad hebt, en het Museo del Arte Religioso – Museum voor Religieuze Kunst te bezoeken, het museum waar ik sowieso al naar toe wilde gaan. Nu mijn dagprogramma min of meer rond is, mag ik gaan douchen in de naastgelegen kamer – heerlijk – maar moet daarna opnieuw wachten om naar nog weer een andere kamer te verhuizen. Terwijl ik op de patio uit verveling een kop koffie drink, onderga ik gelaten de muzak die hier zo'n beetje dag en nacht op de achtergrond zeurt. De oorspronkelijke bewoners van de Andes blazen op hun traditionele fluiten de hits van ABBA, 't is net of ik over de Rotterdamse Lijnbaan loop. Lulliger kan het niet.

Langs de straat worden op het trottoir grote trossen oranjerode vruchten verkocht. Die trossen hebben wel wat weg van de trossen palmnoten die ik uit West-Afrika ken, maar de vrucht is een heel andere. Harold helpt me uit de droom, het is de “chontaduro of palmperziknoot” geen oliehoudende noot maar een afrodisiacum vertelt hij met een vette lach. En inderdaad, even later zie ik dat vrijwel uitsluitend jonge paartjes met de verkopers over de prijs aan het onderhandelen zijn. Er staat ook een rij fraai beschilderde vrachtauto's geparkeerd die ik wil fotograferen, om van dichterbij te ontdekken dat het bussen zijn die hier “chiva” worden genoemd. De open bussen waarmee de mensen van buiten naar de markt in de stad komen om hun inkopen te doen, die daarna op het dak worden geladen en zo mee terug naar huis gaan. De “chiva” is een typisch symbool van het Colombiaanse platteland, hoewel dwarspoepers het als een symbool van de onderontwikkeling daarvan bestempelen. De markt krijg ik zomaar in de schoot geworpen, die moet worden bekeken. Het is een kleurige mierenhoop van heb ik jou daar. Naast de kooplieden en kopers, vallen vooral de dienstverleners op die door de kopers in de arm worden genomen om hun inkopen te verzamelen en naar hun auto, vrachtwagen of bus te brengen. Paard en wagen voor de grote hoeveelheden, door mankracht geduwde of getrokken platte houten laadbakken voor minder grote aankopen en kruiwagens voor de particulieren. Paard en wagens staan keurig in de rij op de volgende klant te wachten, als taxi's op een taxistandplaats. Al het andere wordt in het voorbijgaan “gecontracteerd.” Hoewel er in het deel van de markt waar ik rondkijk hoofdzakelijk groeten en fruit op de kramen liggen, worden er ook kiloblokken panela verkocht à $3.000 (drie voor $8.000!) per baksteen en plastic boodschappentasjes met steenkolen à $2.000, de “chontaduro” gaat voor $5.000 per tros, nog geen €2.

Na dit onverwachte intermezzo, door naar de hacienda. Onderweg worden bij ieder stoplicht een veelheid aan producten te koop aangeboden, de ambulante handel leeft hier. Ik koop wat thuis gebakken zakjes chips van platano – een zakje zoet en een zakje zout – maar sla de grote peulen die “guama” heten over. De bonen die erin zitten zouden lekker zoet zijn, ik geloof de verkoper zonder meer, want heb al heel jong geleerd dat honger rauwe bonen zoet maakt. “Ze kosten maar $2.000,” fleemt hij. Maar wat moet ik in vredesnaam met zo'n bos enorme peulen? De hacienda ligt er doods bij, alsof er helemaal niet op bezoekers wordt gerekend. Bij de jonge vrouw die naar buiten komt, informeer ik of de hacienda kan worden bezocht. Ze mompelt iets over een trouwerij en gaat weer naar binnen, doch laat de deur achter zich open staan. Ik loop er dus maar achter aan en kom op een grote patio terecht. Daar zie ik dat dze inmiddels in gesprek is met een Afro-man, die me even later wenkt. Ook hij begint over de bruiloft van morgen, waardoor ik nog steeds niet doorheb of een bezoek er nu wel of niet inzit totdat hij me zegt hem te volgen. Ja dus!

wordt vervolgd