|
CHLOROQUINE (26032020) Doordat het coronavirus geheel onverwacht de weg terug naar mijn Franse woonplaats aan de Maas heeft afgesneden, ben ik tijdelijk een paar honderd kilometer noordelijker gestrand: op loopafstand van de Nieuwe Maas en letterlijk in de schaduw van het Erasmus MC. Daar hoor ik meerdere malen per dag ambulances met loeiende sirenes langskomen en af en toe de traumahelikopter, die dan – zo vermoed ik – met een coronapatiënt onderweg zijn naar de intensive care en dan maar hopen dat ze het zullen gaan redden. Hoewel de Amerikaanse president een week geleden of zo beweerde dat het geneesmiddel al beschikbaar was: chloroquine, terwijl de werking ervan nog moest worden aangetoond. Als gevolg van deze ongefundeerde bewering namen ergens in de Verenigde Staten een paar aanhangers van de president een overdosis, had een Nederlands bedrijf in Flevoland dat het middel produceert politiebescherming nodig en werd de prijs van chloroquine in de Nigeriaanse hoofdstad Lagos in minder geen tijd 4 à 5 maal hoger. Dat laatste heet marktwerking: vraag en aanbod bepalen de prijs. Anders dan de grote meerderheid van mijn 17 miljoen landgenoten, die tot op dat moment hoogst waarschijnlijk nooit eerder van dit geneesmiddel ter voorkoming en/of genezing van malaria hadden gehoord, wist ik uit eigen ervaring gelijk waar het over ging. Tijdens de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw, toen ik meer dan 10 jaar in West-Afrika woonde en werkte, slikte ik alle dagen paludrine en zondags als aanvulling het chloroquine bevattende nivaquine (of omgekeerd, dat herinner ik me niet meer) als preventief geneesmiddel om malaria te voorkomen. Ook tijdens een zakenreis of verlof buiten Afrika werd de Europeaan geacht het middel te blijven slikken om de opgebouwde resistentie in stand te houden. Omdat er ieder jaar wel een paar collega's of een familielid waren die het onzin vonden om eenmaal buiten Nigeria of Gabon door te blijven slikken of het doodgewoon vergaten mee te nemen of in te nemen, als gevolg daarvan soms ziek werden en het loodje legden. Voor mijn tijdelijke landgenoten daarentegen was het een curatief geneesmiddel dat ze alleen slikten als ze een fever hadden, zoals de Nigerianen om mij heen malaria pleegden te noemen. Zij kregen dat eens per jaar of zo, zoals wij een winters griepje. Zelf heb ik het gelukkig nooit gekregen, maar door het slikken van al die pillen zijn wel mijn gezichtsvermogen en gehoor aan de linkerzijde enigszins aangetast. Sindsdien heb ik geen pillen meer geslikt en weiger om de rest van mijn leven nog preventieve geneesmiddelen te nemen. Ietsje verderop ligt de Snellinckstraat in de schaduw van het Erasmus MC, tenminste in de maanden dat de schaduwen lang genoeg zijn. De straat werd aan het begin van de vorige eeuw aangelegd, net over de oude stadsgrens tussen Rotterdam en het in 1886 geannexeerde Delfshaven. Met de soms lange tussenpozen dat ik in Rotterdam verbleef, liep ik vaak door die straat van en naar de eerste supermarkt die AH ooit in Nederland opende aan de Nieuwe Binnenweg en kon al doende de gentrificatie volgen. Aan de ene kant werden de huizen gesloopt om plaats te maken voor sociale woningbouw die aan de eisen van de tijd voldoet, terwijl de bewoners van de overkant – waarin tot dan toe drie of vier gezinnen woonden – moesten vertrekken voor eengentrificatiebeurt. Oftewel om van de huurhuizen van het type meer over één trap twee ruime koopappartementen met ieder een eigen voordeur te maken. Dat werd ooit op een zomerse dag door een van de laatste huurders kort samengevat met de woorden “wij worden eruit gepleurd voor die lui met poen.” Al doende ontdekte ik op de gevel van nummer 49 de door zijn zoon Walter in 1968 onthulde en bijna onzichtbare gedenkplaat met daarop de woorden: In dit huis woonde van 1909 -1911 de schrijver Willem Elsschot 1882 -1960. Hier schreef hij de roman Villa des Roses. Het boek werd er in 1910 geschreven op het kleine kamertje aan de achterkant van 49a voordat hij full time schrijver werd en nog als correspondent op een scheepswerf in Delfshaven werkte. Daar was Anna Christina van der Tak een collega met wie hij na het werk vaak terug naar huis wandelde omdat ze in dezelfde straat woonden. Zij moedigde de man die ze kende als haar chef Alfons de Ridder regelmatig aan om een boek te schrijven over zijn herinneringen (eigen belevenissen?) aan het jaar dat hij in 1907 in een familiepension aan de Rue d'Armaillé in Parijs woonde. Daar werkte hij destijds voor de Argentijn Alfredo H. Bustos, inspecteur van hetMinisterio de Obras Públicas de la Républica Argentina uit Buenos Aires. De laatste winter dat ik daar woonde voor terug te verhuizen naar Europa, hielp ik met het sorteren van boeken die door in Argentinië wonende Nederlanders waren afgestaan ten behoeve van de Asociación Holandesa de Benficiencia om vervolgens eens per jaar te worden geveild voor het goede doel. Tot mijn grote verrassing zat er een 4e druk uit 1945 van Villa des Roses tussen waarvoor het nu eindelijk tijd is om een paar honderd meter van waar het werd geschreven te lezen. Met dank aan de destijds jarenlang geslikte chloroquine en het thans heersende coronavirus.... |