|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 59 (02112017)
Dinsdag 28 maart 2017 – Cartagena de Indias – San Basilio de Palenque – Cartagena de Indias
Aan het begin van mijn reis was ik in de hoofdstad Bogotá tevergeefs op zoek geweest naar negros en sporen van door uit West-Afrika afkomstige slaven meegebrachte gebruiken. Dat zou vandaag, bijna aan het eind ervan, dan moeten worden goedgemaakt in San Basilio de Palenque. De enige palenque in Colombia die de tand des tijds heeft doorstaan en waar volgens zeggen na bijna 400 jaar de tradities van de slaafgemaakte Afrikaanse voorouders nog in ere en in stand worden gehouden. Na alle hoop al enige tijd geleden te hebben opgegeven, toch nog een dorp dat misschien iets goed zou kunnen maken. Omdat op mijn aanvankelijke gebruik van het politiek toch alleszins correcte Afrocolombianos nogal meewarig was gereageerd, had ik mij maar aangepast. Hadden wij het in Argentinië, de manier waarop ik Spaans spreek verraadt me overal in Latijns-Amerika, dan soms over Afroargentinos? Nou nee. Het valt niet te ontkennen dat negros daarmee vergeleken stukken makkelijker in de mond en het gehoor ligt. Vandaar ook dat ik zo mijn twijfels heb of de studie van de antropologische faculteit van de Universidad de los Andes naar het gebruik van dat woord, waarin wordt gesteld dat negro nu eindelijk eens uit het Colombiaanse vocabulaire moet verdwijnen en Afrodescentiente de norm dient te worden, veel navolging zal krijgen.
Te beweren dat ik speciaal naar vandaag heb uitgekeken, is wat overdreven. Naar dorpen gaan die, zoals ook Volendam of Kinderdijk, aan potentiële bezoekers als authentiek worden aangeprezen, doe ik vrijwel nooit. Het valt echter niet te ontkennen dat toen ik met mijn Nigeriaanse geliefde in Rotterdam op vakantie was, we daar op de boot naar Kinderdijk zijn gestapt om de molens te gaan bekijken en dat ook ik dat best bijzonder vond. Ongetwijfeld diepgewortelde nationale trots die je nooit kwijt raakt. Mijn begeider draagt mij over aan iemand uit de palenque. Dat schijnt de regel te zijn om wat werkgelegenheid te verschaffen aan de voornamelijk jongere mannen die weinig om handen lijken te hebben en op deze manier een graantje meepikken van het tourisme, zonder dat ze – wat mij betreft tenminste – veel toegevoegde waarde hebben. San Basilio herinnert zelfs in de verste verte niet aan een West-Afrikaans dorp en ik kan de jongeman aan wiens hand ik loop veel meer vertellen over wat hier al dan niet Afrikaans is, dan hij aan mij. Het enigste, maar dan ook echt het allerenigste, dat mij vaag aan Afrika herinnert is de bejaarde man met grijze gekrulde bortsthaartjes waarop een soort Vierdaagsekruisje hangt die op de kalima speelt, de houten klankkast met een gat erin waarvoor een aantal metalen “toetsen” zijn gespijkerd. Kort gezegd: een uit de krachten gegroeide duimpiano. Voor de rest is het hier een gewone werkdag en is er, behalve dan de huidskleur van de inwoners, verder niets dat mij aan Afrika herinnert.
PS Terug thuis lees ik in de NRC van 14 maart een artikel met de kop Wat te doen met de “mooiste negerin”? Silke heet die mooiste negerin, ze komt uit Duitsland, ze heeft een Oegandese moeder en een Chinese vader en is één van de hoofdpersonen in Ronald Giphart's debuutroman “Ik ook van jou” waarvan een jubileumuitgave wordt voorbereid. Uitgever en schrijver vroegen zich daarbij af of het woord negerin al dan niet moest worden vervangen. Hun conclusie?“We hebben het zo gelaten, nu zou ik de verteller niet meer zo laten denken.” Net alsof ik weer even in Colombia was.
Woensdag 29 maart 2017 – Cartagena de Indias
Vanavond ga ik eten in INTERNO, het sinds een paar maanden in de vrouwengevangenis van Cartagena gevestigde restaurant. Ik kijk daar al naar uit na op een Argentijnse nieuwszender een kort verslag te hebben gezien over dit resocialisatieproject en dat terwijl ik toen het weerbericht wilde zien. Ter voorbereiding had ik op de kaart de looproute naar de gevangenis opgezocht: hotel uit linksaf, eerste straat links en daarna na twee blokken rechtsaf, na weer twee blokken linksaf, na nog eens twee blokken rechts, vervolgens langs een pleintje met een kerk en daarachter ligt dan de onopvallende gevangenis. Die heeft een vuilwitte gevel met getraliede ramen. Het verbodsbord boven de bezoekersingang laat aan duidelijkheid weinig te wensen over: geen wapens, geen petten, geen brillen, geen telefoons, geen alcoholhoudende dranken. Lijkt me allemaal heel logisch. Aan de uiterste rechterkant is een lila deur waarop een A-4tje is geplakt met “INTERNO” erop en een telefoonnummer om te reserveren. Ik vraag de bewakers in het wachtlokaal – grote stevige Afromannen in camouflage-uniform – of achter die deur het restaurant is gevestigd. Ja dus. Zoals dat hier gaat, worden er handen geschud en wordt er wat geouwehoerd. Waar kom je vandaan? Wat ben je aan het doen? Wat vind je van Cartagena? En dat soort algemeenheden met tenslotte “Tot vanavond, het restaurant gaat om 7 uur open.” Dat is dan geregeld, ik weet nu waar ik moet zijn en hoe ik er naar toe moet lopen.
wordt vervolgd
|