COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 60 (06112017)

Woensdag 29 maart 2017 – Cartagena de Indias
Niet alleen Bogotá en Cali hebben een Museo del Oro, ook Cartagena heeft er een. Net als in Cali niet overdreven groot en net als de andere twee onderdeel van de actividad cultural van de Banco de la República, de Centrale Bank van Colombia. In Cartagena ligt de nadruk op de Zenú, de bewoners van de Caribische kuststrook voordat de Spaanse conquistadores hun leven zouden komen versteren, gevolgd door hun nazaten die zich onder leiding van Simón Bolívar aan het begin van de 19e eeuw van het moederland zouden afscheiden. Gelukkig liggen er vandaag geen cruiseschepen in de haven waardoor het lekker rustig is in het museum. De vitrines kunnen onthaast worden bekeken en de daarin tentoongestelde objecten worden bewonderd zolang als ik wil. Sommige toelichtende teksten zijn behoorlijk veelzeggend: “En el año 1533 el gobernador Pedro de Heredia....... – In het jaar 1533 stichtte Gouverneur Pedro de Heredia de stad Cartagena de Indias en leidde een expeditie over de Río Sinú op zoek naar het goud van de daar gelegen grafheuvels. De plundering van de Zenúgraven langs de Sinú en in de valleien van San Jorge en Cauca was een geweldig succes en er werd in de regio tevens een dusdanige overvloed aan arbeidskrachten en landbouwproducten gevonden, dat de in Cartagena gevestigde overheidsinstellingen langdurig konden worden gefinancierd.” Je hoeft niet eens tussen de regels door te lezen om te begrijpen dat die Spanjaarden ordinaire grafrovers waren die de lokale bevolking beroofden van de giften die ze met hun voorouders hadden meebegraven. In hun haast hebben ze gelukkig flink wat objecten “vergeten” te jatten, die zijn dus ook niet omgesmolten of verpatst. Daardoor kunnen hedendaagse Europeanen genieten van de schoonheid die hier lang geleden werd gecreëerd. Want het is wel zo, bedenk ik, dat toen de Batavieren rond het jaar 50 voor Christus op de Rijn bij Lobith op houten vlotten of zo ons land binnen voeren, er in de omgeving van wat nu Cartagena is, door de Zenú al kanalen werden gegraven om de waterhuishouding in deze natte regio te regelen en ambachtslieden druk bezig waren met het vervaardigen van sierlijke voorwerpen van edelmetaal en klei. Toen lag de zogenaamde “derde wereld” nog aan onze kant van de aardbol. Zo voelt dat tenminste als ik door het museum loop. Want op de lagere school in het vlakbij Lobith gelegen Arnhem heb ik geleerd dat die Batavieren waren gekleed in dierenvellen en uiterst primitief waren. En dan zie ik hier de verfijnde schoonheid die gelijktijdig aan de Caribische kust bestond in de vorm van gouden voorwerpen, bijzonder aardewerk en met kleurige patronen bedrukte textiel. Alledaagse gebruiksvoorwerpen en sieraden die naderhand in gewilde objecten veranderden doch in de koloniale tijd vaak werden omgesmolten omdat goud een grotere handelswaarde had dan het individuele object. Andere tijden.

Waarbij sta ik langdurig stil en ga later op de dag terug om er nog eens naar te kijken omdat ik het zo bijzonder vond? In de eerste plaats zijn dat de niet te tellen oorringen van klein tot behoorlijk groot, filigraan en van goud natuurlijk en zo te zien min of meer hetzelfde ontwerp. Gezien de hoeveelheid die hier hangt, moet dat bijna op industriële schaal door goed opgeleide edelsmeden zijn geproduceerd. Er hangen een heleboel in een vitrine die in de vrije ruimte in de kluis op de begane grond staat, zodat de “oorringeninstallatie” van alle kanten kan worden bewonderd. Het andere dat ik zo speciaal vind, is dat er naast die gouden voorwerpen meerdere malen terracotta objecten staan die tonen hoe de sieraden of ornamenten destijds werden gedragen. Driedimensionaal, bevroren in de tijd, indrukwekkend. Niet minder boeiend zijn de kleine cilindervormige stempels van klei die werden gebruikt om textiel van een patroon te voorzien. Uiteraard met natuurlijke grondstoffen. Men had nog geen schrift, anders zouden ze vast en zeker de boekdrukkunst hebben uitgevonden. Het is net of de moderne verfrollertjes ervan zijn afgeleid. Hoewel die volgens hetzelfde principe werken, zijn die juist bedoeld om een egale laag verf aan te brengen op een harde ondergrond, geen patronen, behoorlijk fantasieloos eigenlijk. De presentatie is zelfverklarend omdat naast ieder rollertje een afdruk staat van het patroon. Wat mij iets verderop de adem enigszins beneemt, is de vitrine met zeven urnen zo groot als ouderwetse melkbussen, met een hoofd erop als afsluiter in plaats van een platte deksel. Het dodenmasker van degene die erin begraven werd, zo begrijp ik. Ieder hoofd is anders, hetgeen vanzelfsprekend is, maar toch. De ogen zijn gesloten, de gezichten zijn van een mooi geschilderd patroon voorzien. Dat zou wellicht zijn aangebracht om de sociale status van de dode aan te geven, standsverschillen die ook in het hiernamaals van belang zouden zijn. Ik zou eigenlijk ook wel in zo'n mooie urn begraven willen worden, het wordt echter vast een saaie kist. Hoewel ik ondertussen al wel weet dat die aan het oog zal worden ontrokken door een speciaal voor mij ontworpen grafmonument.

wordt vervolgd