COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 67 (27082020)

Epiloog - 3
Net zomin als het doden van Pablo Escobar, nu bijna 27 jaar geleden, een einde heeft gemaakt aan de leidende rol van Colombia als cocaïneproducent en exporteur, heeft het einde van de burgeroorlog met het FARC en de demobilisatie van de guerillastrijders qua geweld rust gebracht. Volgens de Informe de Masacres en Colombia durante el 2020, een paar pagina's met getallen en grafieken over moordpartijen dit jaar, die eerder deze week door Indepaz, een in Bogotá gevestigde NGO, werden gepubliceerd, waren het er al 46. Voor alle zekerheid zoek ik het toch maar even op in mijn van Dale Handwoordenboek Spaans – Nederlands: masacre = bloedbad, moordpartij, massamoord. Dat klinkt best heftig in onze moedertaal. In diezelfde week bericht de NRC: Zeventien doden in 24 uur bij geweldsgolf in Colombia en kopt de Londense Guardian: Colombia sees seven massacres in two weeks. Op de laatste pagina van de presentatie van Indepaz wordt met weinig woorden gedefinieerd wanneer er over een masacre kan worden gesproken: dat is indien er bij één enkel incident drie of meer mensen om het leven worden gebracht. Het departement Antioquia, de bestuurslaag tussen de gemeentelijke- en nationale overheid die we in Nederland een provincie zouden noemen, is koploper met 10 moordpartijen tot dusver dit jaar. Medellín, de hoofdstad van Antioquia, was ooit de zetel van het drugskartel van Pablo Escobar én de stad waar hij op 2 december 1993 stierf. Op het dak van een huis zoals Fernando Botero het in 2006 verbeeldde op het doek Pablo Escobar muerto dat in het Museo de Antioquia hangt? Doodgeschoten door de hem achtervolgende politie nadat hij uit de gevangenis was ontsnapt? Of, zoals zijn broers Roberto en Fernando volhouden, door zichzelf een kogel door het hoofd te jagen?

Onverwacht en nietsvermoedend maakte ik ruim een jaar geleden kennis, hoewel virtueel, met een andere Escobar: met de uit Cali afkomstige schrijfster Melba Escobar. Het was allemaal te danken aan het verschijnen van de Nederlandse vertaling van haar debuutroman La Casa de la Belleza – de Schoonheidssalon. Na het lezen van de eerste paar honderd woorden van hoofdstuk 1 was ik verkocht en kon bijna niet ophouden: ”Ik haat kunstnagels in extravagante kleuren, geblondeerde haren, kunstzijden blouses en glimmende oorbellen, en zeker om vier uur 's middags. Nog nooit leken zoveel vrouwen travestieten of prostituees, vermomd als keurige echtgenotes. Ik haat het overmatige parfum van deze vrouwen, die zo zwaar zijn opgemaakt dat ze eruitzien als kakkerlakken in een bakkerij, en ze maken me bovendien aan het niezen. Om nog maar te zwijgen van hun spullen, smartphones in van die kinderachtige, fuchsiakleurige hoesjes met pailletten of nepedelsteentjes en belachelijke plaatjes. Ik haat alles waar deze niet biologisch afbreekbare vrouwen met hun geëpileerde wenkbrauwen voor staan. Ik haat hun schrille, geaffecteerde stemmetjes als van vierjarige poppetjes, kleine narcohoertjes geperst in een vrouwenlichaam maar wel rechtop als een man. Het is allemaal heel benauwend, deze macho-kindvrouwtjes brengen me in de war, maken me bang, doen me denken aan alles wat verpest en kapot is in een een land als dit, waar de waarde van een vrouw wordt afgemeten aan de omvang van haar kont, hoe rond haar borsten zijn en hoe dun haar taille is. Ik haat ook de kinderachtige mannen, gereduceerd tot de primitiefste versie van zichzelf, altijd op zoek naar een vrouw om te neuken, om als een trofee mee te pronken, om in te ruilen voor een ander of om zich een status te verwerven tussen zijn mede-neanderthalers........” Woorden die de schrijfster “optekende” uit de mond van een bijna 60 jarige psychoanalytica, die na jaren in Parijs te hebben gewoond en gewerkt naar Bogotá was terugverhuisd. Net zo onverwacht en nietsvermoedend als ik aan het boek begon, kwam zij in de schoonheidssalon terecht waar ze kennis maakte met een heel ander land dan het was voordat ze naar Frankrijk vertrok. “Toen ik uit Colombia wegging, letten de moeders er nog op dat de knieën van hun dochters bedekt waren, nu wordt niets aan de verbeelding overgelaten. Dat was ook iets wat me choqueerde toen in terugkwam.” Het spreekt me niet alleen aan vanwege de realistische woordkeus en de goede vertaling van Mia Buursma, maar ook omdat het voor mij zo herkenbaar is. Het door tientallen jaren in andere landen te wonen en werken langzaam maar zeker vervreemd te raken van je vertrouwde omgeving, iets dat mij in Rotterdam ook steeds vaker overkomt. En als ik daardoor dan soms iets niet begrijp of een nieuw woord nog niet ken, staat op het gezicht van mensen die mij niet kennen te lezen dat ze zich afvragen of ik wel geheel toerekeningsvatbaar ben......

epiloog - 4 volgt