|
CUBA – EEN REIS DOOR DE NALATENSCHAP VAN CASTRO & CHE – 2 (24052021) Voordat de reis begon, had ik geen flauw idee wat George Bizet en de Cubaanse hoofdstad Havana – die door de Cubanen overigens la Habana wordt genoemd – met elkaar te maken hadden. In het vliegtuig terug naar huis trouwens nog steeds niet, gewoonweg omdat ik tijdens de reis over het eiland niets over hem had gehoord of gezien. Pas eerder deze week werd dankzij de algoritmen van YouTube een tipje van de sluier opgelicht. Om de teksten goed te begrijpen, had ik bijna iedere dag gezocht en geluisterd naar de raps en hiphopmuziek waarmee een aantal Cubaanse musici zich luidruchtig verzettten tegen de strenger wordende censuur en de rampzalige economische situatie en had daarvoor meer dan eens de zoekwoorden Cuba, Havana en la Habana ingetoetst. Dat was aanleiding voor de altijd meeglurende algoritmen om te concluderen dat la Habanera dan misschien ook wel eens wat voor mij zou kunnen zijn. Snel afgeleid als ik kan zijn wanneer mijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, luisterde ik daardoor tot mijn eigen verbazing opeens naar sopranen, koren en de zwoele stem Luna Manzanares Nardo die klassieke en meer hedendaagse versies van la Habanera zongen, de populaire benaming van l'Amour est un oiseau rebelle, de aria uit de vijfde scene van de eerste acte van de opera Carmen van Georges Bizet. Tegelijkertijd ontdekte ik dat die Franse componist tijdens zijn korte leven – oktober 1838 – juni 1875 – nooit in Havana was geweest en dus niets met Havana te maken had. Mosterd na de maaltijd? Helemaal niet, het bleek juist een lekker tussendoortje. Volgens zeggen had Bizet bij het componeren van l'Amour est un oiseau rebelle leentjebuur gespeeld, het was jatwerk, plagiaat. Hij bewerkte de compositie el Arreglito van de Spanjaard Sebastián Iradier, liet het van een Franse tekst voorzien en beweerde achteraf dat hij had gedacht dat het een volksliedje zonder bekende auteur was geweest. Iradier, die na in Parijs te zijn gaan wonen op aandringen van zijn muziekuitgever zijn naam in Yradier zou veranderen om die te “internationaliseren”, bezocht Cuba en Havana in het midden van de 19e eeuw. Zijn op muziek ingestelde oren pikten daar het ritme op dat in de Cubaanse muziek dominant was, het ritme dat door de uit West-Afrika gehaalde slaven was meegebracht naar de Spaanse koloniën in de Cariben en Zuid-Amerika. Het ritmische patroon dat door musicologen tresillo wordt genoemd en bij muzikaal minder geschoolden zoals ik dehabanera heet. Dat ritme, en de vele variaties erop, is nog steeds terug te vinden in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse populaire muziek, tot en met de Argentijnse tango toe, en uiteraard in de muziek die in Afrika ten zuiden van de Sahara wordt gespeeld. Zonder te weten hoe het heette, maakt dit ritme al sinds halverwege de jaren 80 van de vorige eeuw deel uit van mijn dagelijkse leven in West-Afrika en Latijns-Amerika. Van Fela Anikulapo Kuti en Lágbájŕ in Nigeria via de Braziliaanse samba's en Carlos Gardel en Astor Piazzolla in Argentinië tot en met de habaneras op de achtergrond tijdens deze reis door Cuba aan toe..... Maar het ging nóg verder terug ontdekte ik, want toen ik in het begin van de jaren 60 No More van Elvis Presley meezong, had ik geen flauw idee dat het een versie was van la Paloma, veruit de beroemste compositie van Sebastián Iradier en het meest op de plaat gezette liedje aller tijden. Tijdens de onverwachte muzikale ontdekkingsreis, die ik met dank aan de habanera en George Bizet opeens aan het maken ben, kom ik terecht bij een door de New Yorkse Metropolitan Opera in 1989 uitgevoerde Carmen met de bedoeling om naar la Habanera te luisteren. Meer niet. Maar de verhaallijn is dankzij de ondertiteling zo goed te volgen dat ik zonder dat het de bedoeling was voor het eerst van mijn leven naar een opera zit te luisteren en te kijken en daardoor in de 2e acte Samuel Ramey, in de rol van Escamillo de stierenvechter uit Granada, Air du Toréador hoor zingen dat me vaag bekend voorkomt. Ietsje later zing ik zomaar luidkeels Toreador, kijk uit daar komt een stier aan! Hoe kan dat nu? Het duurt even, maar na wat googelen ben ik terug in mijn allerjongste jaren: Max van Praag met het accordeonorkest van Jan Gorissen die op een 78 toerenplaat Toreador zingt. Op het platenlabel stond niet wie de componist was, ze dachten misschien dat het een oud Spaans volksliedje was. Mijn ouders hadden in die naoorlogse jaren geen cent te makken, ik ging gekleed in door mijn oma gebreide truitjes en broekjes, een platenspeler hadden we zeker niet. Die Toreador van Max heb ik toen vast en zeker mijn grootouders op de radio gehoord. wordt vervolgd |