CUBA – EEN REIS DOOR DE NALATENSCHAP VAN CASTRO & CHE – 3 (030621)

Vergezeld door zijn eigen secretaris, butler en muzikaal leider arriveerde zo'n honderd jaar geleden – op 5 mei 1920 - de legendarische tenor Enrico Caruso met SS Miami in Havana om ruim een maand lang in Cuba op te gaan treden. Te beginnen in het Teatro Nacional van Havana, daarna in het Teatro de la Caridad van Santa Clara, het Teatro Tomŕs Terry van Cienfuegos en tot slot nogmaals in Havana. Zowel Santa Clara als Cienfuegos liggen een paar honderd kilometer ten oosten van de hoofdstad, maar ja, in Cuba ligt nu eenmaal vrijwel alles ten oosten van Havana. Caruso was toen 47 jaar oud, stond op het toppunt van zijn roem en had aanvankelijk helemaal geen zin om naar Cuba te gaan. Om van de nogal aanhoudende impresario Adolfo Bracale af te komen, had hij de voor die tijd belachelijk hoge gage van US$ 10,000 – jawel tienduizend Amerikaanse dollars - per optreden gevraagd en kon daarna niet meer onder Cuba uit toen dat werd geaccepteerd. Dat geld werd onder andere opgehoest door de familie Rosell uit Santa Clara, naar ik vermoed zeer vermogende suiker- of tabaksboeren. Vandaar ook dat Caruso de familie thuis bezocht en er een slaapliedje zong voor de kleine Humberto Rosell waarbij, zo zou hij later bekennen, het hoofd van de familie Ismael Rosell in slaap was gevallen. Een kaartje voor één van die Caruso's concerten kostte 25 Cubaanse Pesos, wat toentertijd ongeveer het bedrag was waarvoor een Cubaanse arbeider een maand moest werken. De belangstelling bij degenen die het zich konden permiteren was echter zo groot, dat op de zwarte markt meer dan twee keer zoveel werd betaald en Caruso de deuren van de zalen waar hij optrad open liet zetten zodat iedereen die zijn stem wilde horen, die ook kón horen.

12 Juni 1920, Teatro Nacional Havana, het loopt tegen het einde van de tournee. Caruso staat in Verdi's Aďda als de Egyptische legerkapitein Ramades op het podium als er een bom ontploft. Paniek!!! Caruso vlucht in zijn op een jurk lijkende toneelkleding het theater uit, waar hij even later door een plichtsgetrouwe politieman wordt gearresteerd. Volgens het proces-verbaal omdat hij buiten carnavalstijd vermond als vrouw, bruin geschminkt, met geverfde mond en opgemaakte ogen op de openbare weg liep en daarmee de Wet ter Voorkoming van Schandalen en ter Bescherming van de Burgelijke Moraal overtrad, met als verzwarende omstandigheid dat uiterlijk en kleding duidelijke kenmerken van homoseksualiteit hadden. Over wat Caruso daarna zou zijn overkomen, bestaan twee heel verschillende versies die door twee Cubaanse schrijvers op schrift zijn gesteld. Allereerst is daar El recurso del método – de Methode uit 1974 van Alejo Carpentier. Volgens de flaptekst van de Nederlandse vertaling uit 1983 een roman over het wezen van dictatuur, machtsmisbruik en decadentie, ergo: Cuba van voor de revolutie. In hoofdstuk XIII krijgt eerst Adolfo Bracale – zoals dat in Rotterdam zo heerlijk recht voor z'n raap wordt gezegd – een enorme veer in zijn reet gestoken als zijnde de impresario die waar dan ook in Zuid-Amerika, zoals bijvoorbeeld de Chileense salpetergroeven, bananenplantages, de havens in het verre zuiden en de rubberplantages van Manaus, het onmogelijk geachte op het toneel weet te brengen. En geloof me, zelfs aan het begin van de 21ste eeuw was het voor mij soms nog een hele opgave om daar naartoe te reizen, laat staan hoe het 100 jaar eerder moet zijn geweest zonder mobiele telefonie, internet, vliegtuigen en slechts matig ontwikkeld rail- en wegtransport. In Carpentiers' boek keert Enrico Caruso met de trein terug in de hoofdstad vanuit het imaginaire Puerto Araguato. Waarschijnlijk in de spoorwegrijtuigen voor de directie van de Amerikaanse Cuban Cane Sugar Corporation waarin de musici, het operagezelschap en de decors van Santa Clara naar Havana waren vervoerd.

In hoofdstuk XIII van de Methode verdwijnt Caruso na de ontploffing, die tijdens de matinee plaatsvond, slechts een paar uur uit beeld. Was de aanslag een waarschuwing in zijn richting van de maffia met wie hij in Napels overhoop lag of was de aanslag gericht tegen het staatshoofd die in de zaal zat? Niemand die het weet. Zodra de Italiaanse ambassadeur vernam dat zijn illustere landgenoot was gearresteerd, begaf hij zich naar het presidentiële paleis om bij de dictator zijn vrijlating te eisen. Nou dat nieuws was na de bomaanslag – het was waarschijnlijk niet meer dan een rookbom geweest – de tweede gebeurtenis die het staatshoofd enorm opwond. Geschreeuwde bevelen en kort daarna verschenen ten paleize de tenor, nog gekleed en geschminkt als Radames, de impresario en de politieman die de hem volkomen onbekende Caruso zonder aanzien des persoons had gearresteerd. En zoals dat in een autoritaire omgeving gaat, was de politieman die de onwelgevallige arrestatie had verricht de lul en moest door de ambassadeur, de impresario en de tenor in bescherming worden genomen. Eigenlijk best een saaie ontknoping. Maar gelukkig is er nog een ander boek waarin het na de vrijlating uit de gevangenis stukken spannender én romantischer aan toe gaat.

wordt vervolgd