CUBA – EEN REIS DOOR DE NALATENSCHAP VAN CASTRO & CHE – 6 (290621)

Proloog
Lang gewacht, stil gezwegen, niet gedacht, toch gekregen gaat er ergens hoog boven de Atlantische Oceaan door mijn hoofd tijdens de door het tijdverschil van 6 uur behoorlijk opgerekte dagvlucht van Amsterdam naar Havana. Want Cuba staat al hoog op mijn verlanglijstje sinds ik in 2006 op het buureiland Hispaniola in de Dominicaanse hoofdstad Santo Domingo woonde en werkte. Volgens onbevestigde berichten landde Cristóbal Cólon, die in het Nederlands om een mij onbekende reden Christoffel Columbus wordt genoemd of kortweg Columbus, in 1492 in la Hispaniola kort nadat hij de Bahamas en Cuba zou hebben “ondekt.” Het toeval wilde dat een week of twee voordat Columbus 500 jaar eerder – op 20 mei 1506 – zijn laatste adem uitblies, ikzelf de Dominicaanse Republiek aan het ontdekken was en daar op een zondag, toen ik even niets beters te doen had, het wanstaltige Faro a Colón bezocht dat zijn laatste rustplaats zou zijn. Het enige dat me nog van die dag bijstaat is de roestige Pausmobiel op het plein ervoor en de erewacht bij het graf waarvan tot op de dag dat ik dit schrijf niemand weet wie er precies begraven ligt.

Een paar maanden na mijn aankomst in wat “onder ons” kortweg de DomRep werd genoemd, liet een collega mij kennis maken met haar jongere zusje Luisa America, docent aan de Universidad Católica Santo Domingo. Het klikte gelijk daar op het terras van het restaurant aan de Caribische Zee. En niet alleen maar door onze gedeelde interesse én passie voor de vele sporen van de gebruiken en religies uit hun landen van herkomst die de slaafgemaakten hebben nagelaten in het dagelijks leven van de hedendaagse Dominicaanse Republiek. Zij, met veel Afrikaans bloed, kende Afrika alleen van horen zeggen. Ik, met voor zover ik weet uitsluitend Europees bloed in de aderen, had daar tot dantoe bijna 13 jaar gewoond, waarvan zo'n beetje tien jaar aan de voormalige Slavenkust, in wat nu Nigeria is. In mijn tijd daar had ik aardig wat kennis opgedaan over de traditionele zeden en gewoontes in Yorubaland, met name over de oorspronkelijke religie, over die van Benin City en over het Ibo-sprekende zuid-oosten en had de voormalige slavenforten of wat daar nog van over was bezocht in de Republiek Benin, Togo, Ghana, de Ivoorkust tot en met het tegenover de Senegalese hoofdstad Dakar gelegen Île de Gorée. Hoe dat eilandje aan die naam komt, laat weinig te raden over. Hoewel er twee versies zijn: het zou door de West-Indische Compagnie zijn vernoemd naar Goeree – als in Goeree Overflakkee – of het was gewoon een Goede Reede, een veilige ankerplaats. En ik had, na naar Rio de Janeiro te zijn verhuisd, een kijkje genomen in het noord-oosten van Brazilië. Dat was ooit een kolonie van de West-Indische Compagnie met Maurits van Nassau – jawel de Maurits van het Haagse Mauritshuis – als gouverneur, zeg maar als de president-directeur van de plantages waar op grote schaal door slaven suiker werd geproduceerd. Daar zouden de uit Yorubaland meegebrachte orishas de godsdienst en gebruiken van de slaafgemaakten de boventoon gaan voeren. Net zoals dat in de Dominicaanse Republiek was gebeurd.

Hoewel de slavernij er bij het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1844 werd afgeschaft, duurde het in de praktijk gewoon voort. Die eindeloze suikerrietvelden waar de economie op dreef, moesten uiteindelijk worden bewerkt, het riet moest worden gekapt en in de ingenios – de suikermolens - worden verwerkt om het kostbare eindprodukt te kunnen verschepen. Luisa America nam me mee naar diverse religieuze festivals waar ik dan de enige blanke was, naar Haïti en naar Doña Ana een vriendin met orakel kwaliteiten. Die verzekerde mij naast haar mooie huisaltaren dat ik door “bovenaf” uitstekend werd beschermd en indien ik geen al te grote misstappen zou begaan, mij niets zou overkomen, dat ik financieel hartstikke goed zat en in uitstekende gezondheid verkeerde. Al wrijvend over haar onderrug zei ze “Af en toe eens een pijntje dat verder niets om het lijf heeft.” Precies de plek waar het bij mij af en toe mis was. Er zouden documenten onderweg zijn met goede berichten, zakelijk zowel als persoonlijk, en er zou una mujer india op mijn pad komen. Dat is in Santo Domingo iemand met een lichtbruine huid en dus geen vrouw met zo'n diepe donkere Afro-Domincaanse kleur. Nou ja, die mujer india zat op het balkon een sigaret te roken, dat lag wel heel erg voor de hand. Binnenkort zou ik goede berichten van ver weg ontvangen en een verbroken relatie zou onverwacht worden hersteld. Als klap op de vuurpijl werd mij aan het slot van het consult zelfs een zoon met una mujer blanca in het vooruitzicht gesteld! Nou ja financieel zit ik nog steeds hartstikke goed, dat pijntje heeft tegenwoordig iets meer om het lijf dan werd voorspeld, van een zoon met een mujer blanca is tot nu toe echter nog niets terecht gekomen.

wordt vervolgd