CUBA – EEN REIS DOOR DE NALATENSCHAP VAN CASTRO & CHE – 26 (10122021)

Zondag 11 november 2018 – Enronque de Herradura – Havana – Matanzas
Terwijl thuis in Frankrijk wordt herdacht dat 100 jaar geleden een einde kwam aan de Eerste Wereldoorlog – la Grande Guerre – en in het zuiden van het vaderland met de elfde van de elfde het carnavalsseizoen begint, gaan wij onderweg naar het aan de Estrecho de Florida, de zeestraat tussen Cuba en de Verenigde Staten, gelegen Matanzas. Ongeveer vier uur rijden, twee uur om terug te gaan naar Havana en daarna twee uur oostwaarts op tot nu toe onbekend terrein. Op de carretera – de snelweg – zien we weer van alles en nog wat dat in Europa ogenblikkelijk van de weg zou worden gehaald: paard-en-wagens, brommers, tractoren, door buffels getrokken wagens, veel oldtimers die elders nooit door de APK zouden komen en zowaar zelfs fietsers. Maar ook luxe bussen met toeristen, moderne gele taxi's, veel motoren zonder, maar vooral met zijspan. Zou dat laatste zijn geïnspireerd door Che Guevara's Diarios de motocicleta – Motorcycle Diaries of is het gewoon uit pure noodzaak omdat men zich geen auto kan permiteren? En nog meer, veel meer oldtimers die na de revolutie werden achtergelaten door hun naar de overkant van de Estrecho de Florida gevluchte eigenaren. Op eentje ervan, een Buick Special bouwjaar begin 1950, heeft de eigenaar heel toepasselijk de woorden I feel brand new op de achterruit geplakt en die ziet er inderdaad nog erg goed uit voor zijn leeftijd. Voor de afwisseling hebben nu eens niet alle reclameborden langs de weg een foto van Fidel of Che erop met ernaast een politieke boodschap, maar staat er soms voor een cruce peligroso – gevaarlijke kruising of aan het begin van een tramo peligroso, een stuk weg waarop voor Cubaanse begrippen veel ongelukken gebeuren, een eenvoudig waarschuwingsbord waarop niet meer is vermeld dan: TRAMO PELIGROSO, met eronder het aantal ongelukken en het aantal doden en gewonden die daarbij zijn gevallen. Die ongelukken gebeurden vast omdat de bestuurders van de auto's of motoren, de bussen of vrachtwagen of de door dieren getrokken wagens werden afgeleid door de verroeste ouderwetse jaknikkers die in het naast de weg gelegen kale land aardolie staan te pompen, want wegverkeer is er nauwelijks.

Groene met suikerriet of rijst gevulde akkers die worden geïrrigeerd vanuit waterreservoirs die achter lange polderachtige dijken liggen, met aan de horizon stukken langere en veel hogere bergruggen. Propagandaborden met het hoofd van Camilo Cienfuegos - waarop de 60ste verjaardag van de post-revolutionaire landbouwhervormingen – la Ley de Reforma Agraria van 1959 – wordt aangekondigd. Camilo, strijder van het eerste uur die eind 1956 samen met Fidel en Che op de Granma vanuit Mexico naar Cuba overstak, was na de geslaagde revolutie belast met het zuiveren van Cuba van contra-revolutionaire invloeden. Dat hield kort gezegd in dat iedere vorm van verzet tegen de nieuwe communistische overheid met harde hand de kop werd ingedrukt. Oftewel: echte of vermeende tegenstanders werden zonder enige vorm van proces geëlimineerd. Ideologisch gezien was dat uiteraard volkomen gejustificeerd, want had Batista niet hetzelfde met de revolutionairen gedaan? Cienfuegos was daarnaast betrokken bij de in mei 1959 geannonceerde landhervorming, de grootste landjepikoperatie in Cuba sinds de Spanjaarden het eiland aan het begin van de 16e eeuw hadden gekoloniseerd. Toegestaan grondbezit werd gereduceerd tot maximaal 400 hectare, al het meerdere werd geconfisceerd. Het officiële doel ervan was om een einde te maken aan de grootschalige industriële landbouw en het onteigende land te verdelen onder door de overheid te vormen landbouwcoöperaties en de tot dan toe uitgebuite kleine campesinos. Pre-revolutionair was ruim 80% van de meest vruchtbare grond eigendom van grote Amerikaanse bedrijven geweest en de andere 20% van zeer welgestelde Cubanen, die een paar jaar later nog wat meer zouden worden afgeknepen toen het maximale grondbezit verder werd gereduceerd tot 67 hectare. Rámon Castro, de oudere broer van Fidel en Rául én mede-oprichter van de Cubaanse communistische partij, die het familielandgoed bestierde, was het er alles behalve mee eens. Jammer dan, vonden zijn broers.

60 Jaar later en drie jaar na onze reis, kijk ik naar Lessons for Luca waarin filmmaker Salvador Gieling aan zijn zoontje Luca probeert uit te leggen waarom Ezequiel, de oom van zijn Cubaanse echtgenote, een campesino wiens vader dankzij de landhervorming onvruchtbaar land had kunnen kopen, zes jaar gevangenisstraf kreeg voor het slachten van zijn koe en het verkopen van het vlees op de informele markt. Ondanks alle mooie revolutionaire idealen zijn boeren namelijk verplicht alle geproduceerde melk en vlees – door Fidel ooit el oro rojo – het rode goud genoemd - voor een lage prijs aan de overheid te verkopen. Voedsel is sinds 1962 gerationeerd en kan alleen worden gekocht met voedselbonnen, wat vlees betreft is dat minder dan 1kg per persoon per maand. Pas nu ik dit opschrijf, bedenk ik daar niets van te hebben gemerkt en dat er bij een Argentijnse asado – barbecue op één avond door weinig mensen meer vlees werd gegeten dan door een groot Cubaans gezin in een heel jaar.

wordt vervolgd