CUBA – EEN REIS DOOR DE NALATENSCHAP VAN CASTRO & CHE – 28 (11012022)

Maandag 12 november 2018 – Matanzas
We beginnen de nieuwe week met het ontbijt op een terras met een mooi uitzicht over de Baai van Matanzas, een baai die in onze vaderlandse geschiedenis beroemd is geworden door de kaping van de Flota de Indias tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Die Flota werd door de Spanjaarden ook wel Flota de Tesoro Español genoemd, een veel betere benaming om te begrijpen waarom het te doen was. Het betrof het Atlantische deel van het uitgekiende Spaanse stelsel om optimaal te profiteren van de in hun koloniale imperium aanwezige grondstoffen, producten en kostbaarheden (roofkunst avant la lettre!). Vanaf de andere kust van Nueva España, zoals Mexico iin die tijd heette, stak er een soortgelijk konvooi de Grote Oceaan over naar de Filipijnen, waar vanuit Manilla voornamelijk de specerijenhandel en de handel met China werd aangestuurd. Pas een paar honderd jaar later zouden zowel de Filipijnen als Cuba in één keer van de Spanjaarden en de status Spaanse kolonie worden bevrijd. Dat was in 1898, aan het einde van de Spaans-Amerikaanse oorlog. Zoals dat bij de meeste Nederlanders het geval zal zijn, zei me dat niet zoveel totdat ik er achter kwam dat de Nederlandse benaming van Flota de Indias Zilvervloot was! Hoewel toeval niet zou bestaan, verblijf ik zo'n beetje 400 jaar na die Batalla de la Bahía de Matanzas, 125 jaar na die Cubaanse onafhankelijkheid en ruim 3 jaar nadat ik daar in Matanzas aan het ontbijt zat, op loopafstand van Delfshaven, waar Piet Hein, de veroveraar van die Zilvervloot, in 1577 werd geboren en waar een aan hem opgedragen monument staat.

Tegenwoordig staat het wat weggefrommeld achter de oerlelijke Achterhavenbrug, maar nog altijd even stoer als toen het daar in 1870, in aanwezigheid van Koning Willen III, werd onthuld. Op de sokkel staat in het Latijn wat volgens zeggen zijn lijfspreuk was: ARGENTUM AURO UTRUMQUE VIRTUTI CEDIT. Wat mij betreft had het er veel beter in onze eigen taal opgezet kunnen worden, maar dan waren het vast teveel woorden geworden voor de beschikbare ruimte: GOUD IS MEER WAARD DAN ZILVER, MAAR DEUGD IS WAARDEVOLLER DAN BEIDE. Die lijfspreuk verwijst vrijwel zeker naar die verovering in 1628 van de Spaanse Zilvervloot van dat jaar door de onder zijn bevel van staande kaperschepen van de WIC, de West-Indische Compagnie. Een gewonnen zeeslag die, zodra het meezit bij een internationale voetbalwedstrijd van de nationale ploeg, luidkeels door de supporters weer tot leven wordt gewekt met het aanheffen van de Zilvervloot. Halverwege 2020 leek Piet Hein's reputatie een knauw te krijgen toen de Rotterdamse tak van Black Lives Matter de sokkel van het monument bekladde omdat hij een slavenhandelaar zou zijn geweest. Een op niets gestoelde bewering, die eenvoudig per omgaande én met feiten onderbouwd door de Rotterdamse historicus Siebe Thissen werd weerlegd: Piet Hein, noch de WIC waren hadden destijds in welke vorm dan ook in slaven gehandeld. Wat de slecht ingelezen demonstranten verkondigden, was kort gezegd lulkoek.

Terwijl we daar naar de overkant van de baai zitten te kijken waar het centrum van Matzanzas is, verzamelen we de moed die nodig is om daar naartoe te gaan lopen. Want ja, dit is onze eerste dag in Cuba zonder begeleider en auto met chauffeur en het is nu eenmaal lekker om in een auto te kunnen stappen en dan zonder na te hoeven denken naar het volgende reisdoel te worden gebracht. Maar, zolang je kunt zien waar je naartoe onderweg bent, de zon schijnt en je af en toe iets tegenkomt dat nieuwsgierig maakt, valt het best te doen. Zo staat er bij één van de eerste bruggen die we oversteken een verkeersbord dat ik nergens ter wereld eerder heb gezien. Het is een verbodsbord: PROHIBIDO PESCAR Y TIRARSE DEL PUENTE – VERBODEN TE VISSEN OF VAN DE BRUG TE SPRINGEN en zoals het in Cuba hoort, is er dus ook niemand aan het vissen of aan het zwemmen. Maar dat kan ook wel zo zijn omdat deze brug veel te ver van de wijken ligt waar hier de mensen wonen en aan de overkant van de weg slechts af en toe een op het oog groot onbewoond buitenhuis staat uit de goede oude pre-Fideltijd. En daar op die brug word ik opnieuw aan Rotterdam herinnerd, waar een paar jaar voor de 2e Wereldoorlog bruggenspringen, hoewel verboden, een populaire sport schijnt te zijn geweest en waar op 13 januari 1933 zelfs een wereldrecord werd gevestigd. Op die dag dook Lou Vlasblom van de Hef, de ophefbare spoorbrug over de Koningshaven die de wijk Feijenoord met het Noordereiland verbond, vanaf een hoogte van 70 meter het water in én klom een paar minuten later de kade weer op, hetgeen niemand voor hem ooit vanaf een dergelijke hoogte was gelukt. Dat hij daarna gelijk door de politie werd opgepakt en in het het politiebureau “een proces-verbaal kreeg en een bewonderende blik van de bekeurende agent” is terug te lezen in de Hef, geschreven door dezelfde Siebe Thissen die Piet Hein vrijpleitte van slavenhandel.

wordt vervolgd