|
OPHEF – 4 (15042022) Voor het eerst op de fiets onderweg van mijn Rotterdamse ouderlijk huis - vlakbij het Zuidplein – naar mijn nieuwe school in Kralingen – vlakbij de tennisclub – maakte ik zo'n zestig jaar geleden kennis met de bruggen over een paar havenmonden en over de Nieuwe Maas, de rivier die dwars door de stad stroomt. Sommige daarvan gingen met enige regelmaat open om schepen door te laten als ik onderweg naar school of terug naar huis was. Zeker met de reistijd naar school moest daar rekening mee worden gehouden, want daar mocht je niet te laat komen. Gerard Cox die, voordat hij een bekende caberetier en zanger werd, als onderwijzer verkering had met een buurmeisje van mij “op Zuid” verwoordde eerder deze eeuw wat ik daar begin jaren 60 van de vorige eeuw op het Stieltjesplein voor die brug tussen de wijk Feijenoord en het Noordereiland ervoer: De HefTja... Ik heb er wat staan vloeken in de regen, met m'n fietsie. Want de verkeersbrug stond dan óók open. Elke negen minuten over het halve oneven uur. Dat wist je als jongen van Zuid. Die verkeersbrug voor vrachtauto's, personenauto's, fietsers en voetgangers en de andere voor het treinverkeer die met de regelmaat van de klok opengaat? Iemand die nadien werd geboren, kan zich dit nauwelijks voorstellen, omdat de twee vaste bruggen tussen het Noordereiland en de andere oever van de rivier al voor de eeuwwisseling werden vervangen door een stukken hoger gelegen nieuwe rode verkeersbrug en een tunnel voor de trein. Omdat in mijn geboortestad Nijmegen de brug over de Waal doodgewoon de Waalbrug heette en in Arnhem, waar wij daarna woonden, de brug over de Rijn doodgewoon de Rijnbrug, dacht ik hier kennis te maken met de Maasbruggen. Niet dus. Ik kwam er al vrij snel achter dat die aan de zuidkant van het Noordereiland de Koninginnebrug en de Koningshavenbrug waren en die aan de noordkant de Willemsbrug en de Willemsspoorbrug. Maar zoals het nu nog is, was het toen ook al on apprend tous les jours en kwam ik er al snel achter dat de meeste Rotterdammers geen flauw idee hadden waar de Koningshaven is te vinden, laat staan de Koningshavenbrug. Die haven, die alles behalve op een haven lijkt, maar eerder op een deel van de Nieuwe Maas, werd in de tweede helft van de 19e eeuw gegraven waardoor het Noordereiland ontstond. Overigens heette de haven aanvankelijk de Noorderhaven, maar werd in 1878 ter gelegenheid van het bezoek aan Rotterdam van Koning Willem III omgedoopt. De oorspronkelijke spoorbrug was een draaibrug die vanwege de smalle doorvaart de scheepvaart begon te belemmeren en bijna honderd jaar geleden werd vervangen door de hefbrug, destijds revolutionair concept in West-Europa. Hoewel de naam van de brug officieel niet veranderde, werd het door de Rotterdammers al snel de Hef genoemd en beschreef aldus perfect wat er met het nieuwe op en neergaande middelste brugdeel gebeurde. Die hefbrug zou vooral tijdens de afgelopen decennia nogal wat Rotterdamse dichters inspireren. Zoals Hans Sleutelaar, die kort maar krachtig dichtte: Rotterdam RevisitedWolken varen boven het palingkleurig water, het licht blinkt net als toen, maar later De Hef waakt over dit verbeten leven. Ik keer me, duizelend, om. En huiver, even. Maar dat was pas nadat hij, vanwege gezondheidsperikelen van zijn partner en naderhand zijn eigen Parkinson, was teruggekeerd naar zijn geboortestad. Sleutelaar werd in 1935 op loopafstand van mijn vaderlandse pied-à-tierre in de Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen op de Henegouwerlaan geboren en woonde tijdens zijn laatste levensjaren, op loopafstand de andere kant op in het Lloydkwartier. Hoewel Sleutelaar in de jaren 60 van de vorige eeuw, wat mij betreft als een soort landverrader, naar Amsterdam was verhuisd, omschreef hij in een interview met de NRC de terugkeer naar waar hij werd geboren als volgt: “Rotterdam is een no-nonsense-stad. Dat echoot na in de gedichten die we schreven. Heldere taal, dwingend ritme. Wij hadden een andere verstandhouding met het woord dan de Vijftigers, wij wilden het alledaagse in ere herstellen. Het zakelijke van Rotterdam, het dynamische, het zeggen-waar-het-op-staat — dat zijn wel dingen die je op mijn gedichten kunt plakken.” En zo is het tot op de dag van vandaag! wordt vervolgd |