OPHEF – 5 (29042022)

Mijn toch wel wat weggezakte herinneringen aan de Hef werden onverwacht wakker geschud door al die op-hef rond het jacht in aanbouw van Jeff Bezos en dat de val – het beweegbare deel van de oude spoorbrug – daarvoor korte tijd uit de twee heftorens zou moeten worden gelicht, verwijderd dus, en de nogal afgunstige protesten daar tegen. Waarschijnlijk van Rotterdammers die wel veel geld hebben verdiend, maar niet zoveel als de bedenker van Amazon om ook zo'n duur jacht te kunnen laten bouwen en nu dus op een goed vaderlandse manier hoorbaar dwars gingen liggen uit pure jaloezie. Het zou toch wel buitengewoon kortzichtig zijn geweest als een scheepswerf iets verder stroomopwaarts, die bovendien niet voor de eerste keer zo'n extreem duur jacht bouwt, daarmee geen rekening zou hebben gehouden en vooraf afspraken zou hebben gemaakt met de gemeente Rotterdam. En stel je voor wat een eventuele weigering internationaal aan negatieve publiciteit zou opleveren – zoals het nu ook al deed - terwijl het de stad geen cent gaat kosten en de onbruikbare, maar iconische voormalige spoorbrug – een Rijksmonument - na het passeren van het jacht van Jeff weer keurig in de oude afgedankte staat zal worden teruggebracht. All expenses paid, zoals dat in mijn noodgedwongen Engelstalige jaren overzee zo keurig heette. Met dank aan die zeikerds en alle lawaai die dat veroorzaakte, maakte ik opnieuw, maar deze keer veel beter, kennis met het werk van de Rotterdamse havenschilder Marius de Jongere en voor het eerst met Rotterdamse poëten die een gedicht aan de Hef hadden gewijd. Zoals Jan Oudenaarden die kort maar krachtig samenvatte waarom die bruggen - de Koningshavenbrug en de Willemsspoorbrug - moesten worden vervangen door een spoortunnel:

                Hefbrug
                Op en neer
                op en neer

                tien maal
                per dag

                en 's nachts
                nog vier keer

En ging ik nog eens goed naar het werk van een andere Rotterdamse Marius kijken, Marius Richters. Zijn door Liesbeth van der Zeeuw geschreven biografie Marius Richters Rotterdam dat in 2005, 50 jaar na zijn dood verscheen, kocht ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid jaren nadien in de ramsj. Niet omdat ik zozeer in het werk van Richters was geďnteresseerd, maar eerder omdat het Rotterdam betrof en vanwege het voor mij zeer herkenbare fragment van het uit 1935 daterende Gezicht op de Maasbruggen dat op de omslag stond. Hij zou het doek hebben geschilderd vanuit het er tegenover gelegen kantoor van een oom aan de Boompjes die hem geld had geleend en het schilderij als terugbetaling in natura accepteerde. Toen ik ruim 25 jaar later dag in dag uit aan het eind van mijn schooldag van Kralingen over de Maasbruggen terugfietste naar mijn ouderlijk huis op Zuid, zag het er nog steeds min of meer hetzelfde uit: links de Willemsspoorbrug met ietsje verderop de Hef, in het midden de Willemsbrug waar op het kruispunt met de Boompjes een politieagent onder zo'n ouderwetse ANWB wegwijzer het verkeer staat te regelen: auto's, handkarren, paard en wagens en fietsers. De fietsers die zo te zien net zo tegen de wind in fietsen zoals Ferdinand Bordewijk dat beschreef in zijn in 1938 verschenen boek Karakter. Hoofdpersoon Jacob Katadreuffe is daarin werkzaam – overigens net als Bordewijk zelf destijds – bij een advocatenkantoor aan de Boompjes en zegt over zijn stille liefde en collega Lorna te George, die op de zuidoever van de Maas bij haar ouders in Tuindorp Vreewijk woonde: “Ze kwam altijd op de fiets. Het kon stormen, vooral op de Maasbrug en op de brug over de Koningshaven. Ze vond wind heerlijk, hoe meer hoe liever.” En dan, eindelijk eens rustig door het boek bladerend, kom ik de door Richters kort voor het Duitse bombardement van mei 1940 vanuit een toren van het stadhuis gemaakte Panorama van Rotterdam tegen, geheel onbedoeld een laatste blik op hoe de stad er voor de oorlog uitzag.

slot volgt