GRAFHEUVEL (13052022)

Met al dat gedoe in de Oekraïne vond ik het best een goed idee om weer eens naar Rossum te gaan om te zien hoe daar de uit de Koude Oorlog daterende Luchtwachttoren van Fort Andries erbij stond. Je weet maar nooit. In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werden er door heel Nederland verspreid 138 van die uitkijkposten gebouwd die, samen met nog eens 138 van die dingen die in bestaande gebouwen waren geïnstalleerd, een soort moderne Waterlinie vormden. De posten hadden tot doel om het Korps Luchtwachtdienst in staat te stellen het nationale luchtruim af te kunnen zoeken om tijdig laagvliegende Russische vliegtuigen te ontdekken omdat radar daar toen nog niet toe in staat was. Net zoals die in de loop der tijd nutteloos geworden Waterlinie – en in de regio waar ik nu woon aan het begin van de Tweede Wereldoorlog totaal nutteloos gebleken Maginotlinie – werden al die luchtwachttorens al snel ingehaald door de voortschrijdende technologie. Om mij nog een extra duwtje te geven om er opuit te gaan, kwam de vraag of we al eens naar de er vlakbij gelegen grafheuvel van Alem waren geweest. Nee dus. Het was precies wat ik nodig had om mijn schoenen en jas aan te laten trekken en mee te gaan naar een onbekende grafheuvel. In de Betuwe nota bene, een streek die ik niet beter kende dan eentje waar vooral veel fruit wordt gekweekt en waar Flipje van Tiel vandaan komt. Hoogste tijd om mijn kennis van de vaderlandse geschiedenis bij te spijkeren, dacht ik. Dat was ooit mijn lievelingsvak op wat toen nog de Lagere School heette en in de eerste jaren van mijn voortgezet onderwijs. Totdat ik daar niet meer welkom was en de volgende onderwijsinstelling het vak niet op het rooster had staan.

Een grafheuvel of tumulus is een uit de prehistorie daterende begraafplaats, uit de ijzertijd en bronstijd of zo. Het zijn heuvels die werden opgeworpen om menselijke resten te begraven, waarbij de maatschappelijke positie van de dode of de doden een rol speelde bij wat voor een grafheuvel er moest worden opgeworpen en hoe groot dat ding moest zijn. Vrijwel iedereen kent de stoere prehistorische Drentse hunebedden of de mooie Egyptische piramides van voor onze jaartelling, maar ik had eerlijk gezegd nog nooit van die grafheuvel in Alem gehoord. Niet goed opgelet op school? Die heuvel wordt ter plaatse groots den Berg genoemd omdat het in die omgeving de enige iets boven NAP uitstekende verhoging in het landschap betreft en er inderdaad mensen zijn begraven die tot een sociaal vooraanstaande familie behoorden, doch die pas rond 1870 of zo werd aangelegd en in gebruik genomen. Vandaar dat die niet in de geschiedenisboekjes voorkomt. Hoewel wat het “stenen tijdperk” betreft het toen letterlijk de Betuwse hoogtijdagen waren. Eenmaal in Alem aangekomen, maakte ik tot mijn verrassing nog voor den Berg te bereiken ook nog eens kennis met Sint Odrada en het Dakpannenmuseum én zo'n beetje met het 19e eeuwse Gelderse stenen tijdperk.

Wouter Schiffer, op zoek naar werk, was een tegen het eind van de 18e eeuw naar Nederland verhuisde Duitse arbeidsmigrant. Toen dus ook al. Hij belandde in het Brabantse Engelen waar hij met de dochter van de plaatselijke onderwijzer trouwde en al spoedig op de maatschappelijke ladder begon te klimmen en daardoor in Alem terecht zou komen. Daar, net aan de overkant van de Maas – de grens tussen Noord-Brabant en Gelderland – kocht hij het grootste huis om zijn klimmen op die ladder voor iedereen zichtbaar te maken. Cornelis, één van hun kinderen, begon in 1836, vroeg in het 19e eeuwse Gelderse stenen tijdperk, in het buurdorp Rossum de Steenbakkerij Rossum die, als ik goed begrijp, tot op de dag van vandaag bestaat en bakstenen bakt. Het Gelderse rivierengebied was een uitstekende vestigingsplaats voor steenbakkerijen omdat daar in de uiterwaarden van de Waal, de Maas, de Rijn en de IJssel volop lekkere vette rivierklei, de ideale grondstof, beschikbaar was. Klei delven, steken is eigenlijk een beter woord omdat ik het nogal op turf steken vind lijken, was in die tijd zware lichamelijke seizoensarbeid waarbij het hele gezin van de kleidelver was betrokken, jawel dus ook de vrouw en kinderen. De klei werd in de zomer gewonnen en vanuit de kleiputten met kruiwagens en karren naar het fabrieksterrein gebracht om daar met water en soms zand te worden gemengd om een homogene massa te maken. Dat gebeurde ooit door er met blote voeten op te stampen! De handen waren vervolgens nodig om vormelingen te maken, ballen klei die in de steenvormen konden worden geperst, waarna de vrouwen en kinderen aan de beurt kwamen in het productieproces. Zij moesten de “natte” stenen drogen om ze bakovenklaar te maken door ze op de met zand bestrooide stukken fabrieksterrein te drogen te leggen en daarna met grote regelmaat – dat wil zeggen dagelijks - om te keren zodat die bakstenen in wording aan alle kanten gelijkmatig konden drogen voordat ze in de winter de bakoven in gingen. Dat was zo nog altijd toen mijn eigen grootouders van moederzijde in 1885 en 1886 werden geboren en voordat de arbeidsomstandigheden zouden gaan veranderen. Onvoorstelbaar.

wordt vervolgd