GRAFHEUVEL - 11 (04082022)

Na in Druten zo'n beetje alles te hebben gezien dat ik er wilde zien, sla ik op de terugweg na de brug over het Kanaal van Sint Andries linksaf naar Alem. Voor een laatste keer naar het dorpje waar stomtoevallig mijn nieuwsgierigheid dusdanig werd geprikkeld dat ik meer te weten wilde komen over de kerk van Cuypers en de steenbakkerij van Dericks en Geldens. Op zoek naar Grafheuvel den Berg viel me toen het aan Sint Odrada van Alem opgedragen monumentje voor de dorpskerk op dat nauwelijks zichtbaar was gesigneerd door ene C. Dericks. Aldus begon de onverwachte kennismaking met Druten. Die totaal verwaarloosde grafheuvel viel overigens behoorlijk tegen. Het was de in 1870 door Wouter Willem Jansen achter in de tuin van zijn net gekochte landhuis aangelegde privé begraafplaats, waar hij met zijn oom Cornelis Schiffer en vier andere naaste familieleden begraven ligt. Oom was in 1836 de oprichter van de Steenbakkerij Rossum, waar neef eerst firmant werd om daarna in 1853 oom uit te kopen en enig eigenaar te worden. Dat met stenen bakken veel geld werd verdiend, mag worden afgeleid uit de landgoederen die de heren kochten: oom een buitenplaats in Wassenaar die aan zijn wensen werd aangepast, neef het landhuis in Alem waar drie jaar aan werd verbouwd tot het naar zijn zin was om er in 1873 met zijn gezin in te kunnen trekken. Het landhuis werd in 1911 trouwens alweer gesloopt wegens geldgebrek bij neef zijn erfgenamen die het van hem geërfde geld net zo gemakkelijk hadden weggepist als hij het had verdiend.......

En dan komt er even stomtoevallig een even onverwacht vervolg op Alem en Druten nadat de goede vriendin van een goede vriendin onthult dat de meisjesnaam van haar moeder Arntz was, een zeer ondernemende familie die samen met de familie Terwindt nogal wat steenfabrieken in onder andere de Ooijpolder bezat. Zomaar terug naar af, omdat het ziekenhuis waar ik als bevrijdingsbaby werd geboren ergens op de Hunnerberg stond, deel van de Nederrijnse Heuvelrug, de in de laatste ijstijd gevormde stuwwal aan de oostkant van Nijmegen. Tussen de voet daarvan en de rivier de Waal ligt aan de “duitse kant” van de Waalbrug de Ooijpolder. Mijn ouders en grootouders hadden het na de Tweede Wereldoorlog te druk met overleven om daar gezellig met hun dochter en kleinkinderen rond te gaan kijken. Behalve de toen nog een stuk of tien volop in bedrijf zijnde steenovens, de daarbij in de uiterwaarden horende kleiputten en de ovenhuisjes, de arbeiderswoningen op de dijken, was er sowieso niet veel te beleven. De Wedren, het Keizer Karelplein, het Valkhof en natuurlijk de Sint Annastraat op de slotdag van de Vierdaagse, veel verder kwamen we niet, een auto of zo had destijds vrijwel niemand. Nadat we aan het begin van de jaren 50 van de vorige eeuw naar Arnhem waren verhuisd, mocht ik als enige kleinzoon af en toe in een schoolvakantie bij mijn grootouders logeren. Wat ik me goed herinner van de busreizen zijn de hoge schoorstenen van de steenfabrieken die in de Betuwe langs de Rijn en de Waal stonden, maar had geen flauw idee wat daar gebeurde omdat die schoorstenen zo'n beetje net zo hoog waren en er net zo uitzagen als die van de ENKA, de Eerste Nederlandse Kunstzijdefabriek Arnhem die ergens tussen de Nederrijn en de IJssel lag.

De goede vriendin van een goede vriendin leent me twee boeken: Steenovensvolk en het speciaal voor haar familie geschreven boek De Gelderse Steenindustrie en het geslacht Arntz met op de linnen omslag hun familiewapen. Boeken waarin behoorlijk tegengestelde levensomstandigheden worden beschreven: de weinige zeer welgestelde steenfabrikanten aan de ene kant, de duizenden arbeiders – mannen, vrouwen en kinderen – die voor een karig loon vanaf het delven van de klei, het vormen en bakken van de stenen tot en met het afleveren van de kant en klare straatklinkers en bouwstenen uit de steenovens – aan de andere kant. Het had nogal wat weg van turfsteken: zware laagbetaalde seizoensgebonden handenarbeid in de open lucht. In de zomer had je werk, in de winter was je werkloos. In de steenindustrie had men graag gezinnen in dienst: de mannen om de klei te steken en de ovens te stoken, de vrouwen en kinderen om de stenen te vormen en te laten drogen door ze om te keren. Het valt op dat de protestantse familie Schiffer protestantse arbeiders zocht en in dienst nam en de katholieke familie Arntz katholieke. Uit mijn jongere jaren weet ik dat je geloof bij een sollicitatie doorslaggevend kon zijn. Als men het Johannes Calvijn Lyceum op mijn cv zag staan, waar ik wegens wanprestatie voortijdig was afgestuurd, zat ik goed. Bij het streng katholieke C&A werd ik daarentegen afgewezen omdat op het bedrijfsinternaat waar de toekomstige leidinggevenden werden opgeleid men de dag begon met een gezamenlijke vroegmis waar ik dus niet aan deel zou kunnen nemen, waardoor de teamgeest voor altijd verstoord zou zijn......

wordt vervolgd