GRAFHEUVEL - 12 (14082022)

Hoogste tijd om naar de Ooijpolder te gaan om daar te zien wat er nog overeind staat van die voorheen behoorlijk arbeidsintensieve steenbakkerijen van de familie Arntz. Het was Johannes Jacobus Stephanus Arntz - kortweg Jan – de betovergrootvader van de goede vriendin van een goede vriendin, die in 1857 met Hermanus Lambertus Terwindt – kortweg Herman – Terwindt&Arntz had opgericht nadat ze een paar maanden eerder op een publieke veiling de in de polder bij Erlecom aan de Waal gelegen steenfabriek N.Arntz & Co hadden gekocht. Dat was een in 1852 door zijn neef Nicolaas samen met Johannes Herfkens begonnen vennootschap onder firma die om onduidelijke reden tegen het eind van 1856 alweer was ontbonden. De fabriek zou, met in de loop der tijd veranderende productieprocessen en in wisselende juridische vormen, als Terwindt&Arntz in de familie blijven tot het in 1985 failliet ging. De failliete boedel werd gekocht door het Oostenrijkse Wienerberger AG, 's werelds grootste bakstenen en dakpannenfabrikant. Terwijl ik dit schrijf, is de fabriek in Erlecom, de enige overgebleven – oftewel de laatste - bakstenen producerende fabriek in de Ooijpolder. Gelijk na te hebben ingecheckt in het enige hotel van het dorp Ooij – behalve de mijne hebben alle auto's op het parkeerterrein een fietsendrager met twee elektrische fietsen erop – op zoek naar de Waal, want aan de rivier lagen voorheen de kleiputten en de steenovens dus hoogstwaarschijnlijk ook de resten van de steenbakkerijen die in het vlakke polderlandschap dankzij hun hoge schoorstenen gemakkelijk te vinden zouden moeten zijn.

Tja, die steenindustrie begon al toen de Rijn tot aan Katwijk ruim tweeduizend jaar geleden de noordgrens van het Romeinse Rijk was en mijn geboortestad in plaats van Nijmegen aanvankelijk Oppidum Batavorum – vesting van de Bataven – werd genoemd en naderhand Ulpia Noviomagus Batavorum heette, kortweg Noviomagus en de hoofdstad was van het rijksdeel Civitas Batavorum, dat ook wel Germania Secunda werd genoemd. Voor de Romeinen diende de Waalklei als grondstof voor bakstenen en dakpannen, dezelfde rivierklei die nog altijd de grondstof voor bakstenen en dakpannen is. In tegenstelling tot bijvoorbeeld aardolie, aardgas of steenkolen, delfstoffen die eenmaal gedolven voorgoed “op” zijn, zet zich in de Ooipolder nieuwe klei heel langzaam, maar ook heel zeker, voortdurend af op de oever van de Waal. Net zoals trouwens op de oevers van de polders langs de Maas, de Rijn en de IJssel. Met de richtingaanwijziging van de hotelreceptie dat de rivier is te vinden door rechts af te slaan en daarna nog een keer, helaas zijn de kaartjes van de Ooijpolder op, kost het weinig moeite de resten van de steenindustrie te vinden. Ooij bestaat uit vooral buitengewoon fantasieloze nieuwbouw waarin, zo vermoed ik, mensen wonen die in Nijmegen werken. Als de rivierdijk in zicht komt, staan er slordig en totaal verloren in een weilandje een zooitje pallets met in plastic verpakte bakstenen en op de achtergrond een hoge fabrieksschoorsteen die maar net boven een enorme erfafscheiding van hoge populieren uitsteekt.>/p>

De dijk op en daar is de Waal, een rivier met opvallend veel bochten en kribben en zandstrandjes en vooral heel veel scheepvaartverkeer, net een snelweg op het water. Wel logisch, want maar een paar kilometer verder richting Duitsland moet de Waal zich afscheiden van de Rijn. In de uiterwaarden liggen weilanden en met water gevulde uitgeputte kleiputten, aan de overkant ligt de Betuwe waar in Gendt nog de nodige in bedrijf zijnde steenfabrieken zichtbaar zijn waarvan de traditionele hoge schoorstenen, ongetwijfeld gebouwd met in de eigen fabriek gebakken stenen, zijn gesloopt en vervangen door nogal uit de toon vallende stukken lagere van metaal. Die muur van populieren maakt het bedrijfsterrein van de zo'n 50 jaar geleden stilgelegde Steenfabriek de Ooij vrijwel onzichtbaar, daarna was er een lelijke dump van legervoertuigen die inmiddels ook alweer is vertrokken. Op de stevig gesloten poort zijn twee door vocht aangevreten annonces bevestigd. Op de linker staat dat de Stichting Steen en Natuur – die het terrein van de legerdump had gekocht - de hoogste schoorsteen in de polder heeft gerestaureerd met subsidies van allerlei overheden. Op de rechter een foto van de nog in bedrijf zijnde ovens met de schoorsteen in het midden met ernaast aan beide zijden het grote aantal lage haaghutten, de droogschuren, waarin de voorgevormde natte stenen lagen te drogen totdat ze droog genoeg waren om te worden gebakken. Die natuurvrienden hebben het terrein vervolgens doorverkocht aan een projectontwikkelaar, want eronder hangt een beetje weggestopt ander bord: Schipper Bosch is de trotse eigenaar van terrein De Ooij. Met in veel kleinere letters daar weer onder: Wilt u meer weten? Kijk op wonenindeooij. Daar wordt gemeld dat ”er wordt gewerkt aan een plan om het terrein van de voormalige steenfabriek te transformeren naar een groene woonwijk.”

wordt vervolgd