HANS EN GRIETJE IN AARDENBURG - 10 (12112022)

Onze Lieve Vrouw met de Inktpot. Hoe komt ze aan die naam en wat betekent het in vredesnaam? Als je, zoals ik, bent opgegroeid in de naoorlogse jaren toen in het vaderland op zondag naar de kerk gaan heel gewoon was, was er tegelijkertijd sprake van een behoorlijk strenge religieuze apartheid: protestantse christenen gingen niet om met rooms-katholieke christenen en binnen die reformatorische kerken gingen lidmaten van de Nederlands-Hervormde kerk liever niet om met die van de Gereformeerde kerk en die gingen op hun beurt liever niet om met de lidmaten van de daar weer van afgescheiden nog strengere Gereformeerde kerk Artikel 31. Om het maar niet te hebben over de omgang met het superafvallige uitschot dat zich Jehova Getuigen noemde, die zich afkerig hielden van alle andere christenen omdat ze dat ongelovige heidenen vonden. Aldoende stemden mijn ouders bij verkiezingen op de Hervormde CHU – de Christelijk Historische Unie – en niet op de Gereformeerde ARP – de Anti Revolutionaire Partij – en die gereformeerden wilden op hun beurt niet betrapt worden te hebben gestemd op de SGP – de Staatkundig Gereformeerde Partij – van de van hun kerk afgescheiden gelovigen. In Arnhem, waar mijn ouders een eengezinswoning huurden, werd een CHU verkiezingsposter op het raam geplakt, niets anders. Door de sociale controle was het niet laten zien op wie je van plan was te gaan stemmen waarschijnlijk zoiets als een doodzonde.

Zo ben ik in het destijds bijna 100% katholieke Nijmegen geboren in het speciaal voor protestantse Nijmegenaren in 1895 geopende Wilhelminaziekenhuis en verhuisden mijn lieve grootouders in de jaren 50 van de vorige eeuw kort na hun pensioenering automatisch naar het enige aan de rand van de stad gelegen protestants christelijke rusthuis, zoals het eufemisme voor een bejaardenhuis toen luidde. Dat lag en ligt op loopafstand van Rustoord, de enige Nijmeegse protestants christelijke begraafplaats. De katholieke verering en aanbidding van Maria werd in “onze kerk” als verwerpelijke afgoderij beschouwd en was ik te jong om te begrijpen waarom op 15 augustus een beeld van Maria door de straten werd gedragen. Dat was, zo begreep ik pas lang daarna, een processie om haar hemelvaart, haar dood dus, te vieren – en als de mensen die langs weg stonden op hun knieën gingen en een kruisje sloegen als het beeld voorbij kwam, moest ik van mijn ouders of grootouders de andere kant op kijken. Al erg lang Voltooid Verleden Tijd, maar vergeten ben ik het nooit. Het was vanzelfsprekend dat mijn ouders mij na de Nijmeegse protestantse kleuterschool naar protestantse lagere scholen stuurden – de Dominee Talmaschool in de Arnhemse Geitenkamp en in Rotterdam op de zuidelijke Maasoever naar de Rehobothschool in de Tarwewijk. Daarna belandde ik in Tuindorp Vreewijk op het overwegend hervormde Johannes Calvijnlyceum, gereformeerde scholieren gingen naar het lyceum op het Nachtegaalplein. Toen ik vanwege voortdurend onvoldoende prestaties van school was gestuurd, belandde ik daarna zowaar in het openbare – dus niet godsdienstige – onderwijs. Daar zat ik zeker nog een week lang aan het begin van de lesdag met gevouwen handen te wachten op de korte Bijbellezing en het ochtendgebed zoals tot dan toe mijn eerste lesuur in het voorgezet en onderwijs was begonnen.

Het aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid ging zo voorspoedig dat ik tot groot verdriet van mijn ouders kort daarna niet meer in “het geloof” was geïnteresseerd. Desondanks was de eerste vraag als ik met een vriendinnetje thuis kwam steevast “ze is toch niet katholiek hé?” Als ik dat had bevestigd, was de vervolgvraag “haar vader werkt toch niet de haven hé?” Voor dat niet katholiek zijn, kon ik wel begrip opbrengen, maar wat het beroep van haar vader ertoe deed? Geen idee. Voor een belastingambtenaar die op de Puntegaalstraat werkte, die door Rotterdammers de Pluk-me-kaal-straat werd genoemd, was het kind van een havenarbeider vermoedelijk beneden onze stand. Wat ik grote onzin vond en een tijdje expres met “verkeerde meisjes” thuis kwam. Al met al had ik door al dat protestantse gedoe behoorlijk lang geen flauw idee wat Onze Lieve Vrouw wilde zeggen of wat de afkorting olv betekende, net zomin als de Heilige Maria of het moeten slaan van een kruisje voor het bidden of mensen die uit de katholieke kerk kwamen met een zwart kruisje op hun voorhoofd. In “onze kerk” was Maria de onbevlekt ontvangen moeder van Jezus, niets minder en vooral niets meer. Hoewel niemand toen bereid was mij uit te leggen wat “onbevlekt” betekende en ik lang voordat het internet was uitgevonden niet verder kwam dan te vermoeden dat ze altijd schone kleren aan had. Herinneringen uit mijn jongste jaren die opborrelen in de Aardenburgse Heilige Maria Hemelvaartkerk waarin vier enorme schilderijen van verlaten woestijnlandschappen uit de reeks Land of Milk& Money van Koen van den Broek worden geëxposeerd. Landschappen die net zo leeg en verlaten zijn als de Nederlandse kerken van tegenwoordig.

wordt vervolgd