|
EVEN TERUG NAAR LAGOS - 10 (07042023) François-Dominique Toussaint Louverture, onder wiens leiding Haïti in 1804 onafhankelijk werd en hoe de destijds allerrijkste Franse kolonie in de ruim 200 jaar erna tot één van de armste landen ter wereld verviel. Hij werd er in 1743 geboren op de plantage Bréda, vernoemd naar eigenaar Pantaléon de Bréda, waar suiker werd geproduceerd. Zijn vader, die een prins zou zijn geweest, was afkomstig uit het toenmalige Koninkrijk Dahomey, die als slaaf op dat Caribische eiland terecht was gekomen. Dat Koninkrijk maakt sinds de Koloniale Conferentie van Berlijn van 1884/85, tijdens welke de grote Europese staten onderling de huidige Afrikaanse grenzen trokken, waarin Bénin, dat in West-Afrika ligt ingeklemd tussen Nigeria en Togo. Op het eiland werd door de Fransen met het produceren van ruwe en geraffineerde suiker zo ontzaggelijk veel geld verdiend - het was de grootste suikerproducent ter wereld – dat ze die kolonie hoe dan ook wilden behouden. Zo werd daar rond 1780 40% van alle suiker en 60% van alle in Europa geconsumeerde koffie geproduceerd. Het was tegelijkertijd een zeer strak georganiseerde kolonie waar zo'n 800.000 goedkope arbeidskrachten – slaven dus - a c h t h o n d e r d d u i z e n d, uit West-Afrika zouden zijn geïmporteerd. Handelspartner? De leverancier van de slaven aan de andere kant? Dat was het Koninkrijk Dahomey dat door die handel eveneens schatrijk werd en aldoende omliggende buurkoninkrijkjes kon veroveren om hun krijgsgevangenen vervolgens weer als slaven aan de Fransen te verkopen...... Het schoolvoorbeeld van een vicieuze cirkel. Bordeaux was in die tijd de rijkste stad van Frankrijk. Nee, niet dankzij de wijn, maar dankzij de slavenhandel en het verhandelen van de door die slaven in de kolonies zoals Haïti geproduceerde suiker, koffie, cacao, katoen en de kleurstof indigo. Hoe zo'n suikerplantage eruit moet hebben gezien, heb ik met eigen ogen kunnen bekijken in Boca de Nigua, naderhand in de Dominicaanse Republiek, niet te ver van de hoofdstad Santo Domingo. Daar was ooit één van de grootste van het eiland gevestigd, waarvan na een slavenopstand in 1796 niet al te veel overbleef. Net zomin als van Haïti dat na de onafhankelijk de eerste door voormalige Afrikaanse slaven geregeerde ex-Europese kolonie op Antiliaanse eilanden was. Op de Haïtiaanse oever van de Río Pedernales ligt Anse-á-Pitre er armoedig bij, zo is daar op de markt bijvoorbeeld de afgedragen kleding te koop die wij aan onze kant van de Atlantische Oceaan als afval in de textielcontainer hebben gegooid. Het dorpje stelt niet veel voor: de markt dus en een overdaad aan huizen die, net als op het Afrikaanse platteland of in de sloppenwijken, zijn gebouwd van houten of bamboe palen die de buitenmuur, of wat daar voor doorgaat, van geharde klei bij elkaar houden waarop een schamel dak van golfplaat ligt. Soms zijn de muurtjes vrolijk gedecoreerd, zoals die van de SALON de coiffeur met afbeeldingen van de unisex modellen die hij of zij knipt en de in deze omgeving zeer toepasselijk spreuk: qui va. LenTemenT. ARRIVE. Sûre. MenT..! oftwel: wie RuStiG aandoet. KOMT. Er. ZekeR..! Hun manier van de woorden schrijven, mijn vertaling. Niet alleen haarknippers, filosofen bovendien, hetgeen zeker zal helpen om hier te kunnen overleven. Na hooguit een uur gaan we de grens weer over en kan ik voortaan stoer beweren in Haïti te zijn geweest. In de Rotterdamse Kunsthal is er in HAL 2 zo vroeg op de ochtend alle gelegenheid om het werk van Hew Locke rustig te bekijken, met name om daarin Toussaint Louverture te ontdekken, die voor mij de Haïtiaanse tegenhanger is van Willem van Oranje-Nassau die zo'n 250 jaar ervoor onze Vader des Vaderlands was. Zoals gezegd staat en hangt het werk van de kunstenaar in een half verduisterde zaal en bestaat het naast de vier Ambassadors, mooi uitgeruste Afrikaanse ruiters op flink beladen en eveneens erg fraai opgetuigde paarden, tegen een achtergrond van grijs behang met traditionele Guyanese houten huizen waarop Locke's kleurrijke fotoserie How do you want me? extra mooi afsteekt. Voor iemand die een paar jaar in Londen en héééél lang in Afrika heeft gewoond, geven met name de herkenbare en daardoor intrigerende beelden een extra dimensie. Heeft de kunstenaar het aangepast of gemanipuleerd? Snel afgeleid als ik kan zijn, blijf ik bij een paar ervan doorkijken in plaats van, zoals in mijn digitale kranten, snel de kopregels boven de artikelen te lezen. Koppensnellen dus. Het is werk van een beeldend kunstenaar die zegt monarchist noch republikein te zijn, hoewel ik dat gelijk al betwijfel bij het zien van Serpent of the Nile, omdat het zonder twijfel een parafrase is op het Britse koninklijk wapen. Hij zegt er het volgende over in een vraaggesprek: I wanted to make a beautiful Ball Gown gone wrong. It's all about survival........... She is not necessarily a great beauty, but manipulates her image, very much as like Elisabeth I of England did. The dress is yellow – the colour of gold. It's all about gold, bij die koninklijke dame welteverstaan. Je zou eens moeten zien wat hijzelf allemaal in de zijne heeft verwerkt..... volgende week meer daarover |