TERUG NAAR ELMINA (05052023)

Net zoals Jan Wolkers lang geleden – in 1965 – terugging naar Oegstgeest, ging ik op de kortste dag van het jaar 2022 terug naar het Ghanese Fort Elmina, dat ik in april 1993 al eens eerder bezocht. Het was in de tijd dat ik daar redelijk vlakbij in Lagos woonde en als het zo uitkwam door Nigeria en de buurlanden reisde. De door de Portugezen tegen het einde van de 15e eeuw gestichtte handelspost São Jorge da Mina werd in 1637 “overgenomen” door de West-Indische Compagnie en zou daarna een belangrijke rol gaan spelen in de transatlantische driehoekshandel tussen Europa – West-Afrika – Zuid-Amerika en het Caribisch gebied en terug naar Europa, om daar dan opnieuw hetzelfde traject af te leggen. Zo'n beetje als de dienstregeling van het openbaar vervoer zal ik maar zeggen. Totdat tijdens het Congres van Wenen in 1815 de slavenhandel, de onontbeerlijke schakel in die driehoek, werd afgeschaft. Hoewel er grijze gebieden bleven. Zo zouden er door onze landgenoten tussen 1831 en 1835 en opnieuw tussen 1855 en 1880, nadat Elmina aan de Britten was verkocht en het Nederlandse consulaat er was gesloten, met een helpende hand van de Koning van de Ashantis, door het “vrijkopen” op de slavenmarkt van Kumasi en/of door ze te ronselen ruim drieduizend jonge mannen zijn gerekruteerd om dienst te nemen in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, het KNIL. Die Zwarte Hollanders oftewel Belanda Hitam zoals ze door de lokale bevolking in de kolonie werden genoemd, zouden in eerste instantie door schepen van de Rotterdamse reder Anthony van Hoboken, jawel die van het Land van Hoboken, naar Java worden gebracht. Logisch, zijn zeilschepen kwamen daar onderweg naar Nederlands-Indië immers toch langs. Het Ministerie van Koloniën sloot in 1831 een contract af met zijn rederij voor het in Elmina aan boord nemen van de eerste groep van vijftig negerrekruten. Naderhand zouden die rekruten al dan niet na een korte opleiding in het Harderwijkse Koloniaal Werfdepot via Rotterdam en Hellevoetsluis naar Nederlands-Indië afreizen om op die manier de verscherpte controle door de Britten op mogelijk illegale slavenhandel te ontlopen.

Bijna dertig jaar na mijn vorige bezoek stap ik vanuit Rotterdam reizend niet op Schiphol uit de trein om in te checken op een vlucht naar Accra, maar stap pas uit op het Centraal Station van Amsterdam om vandaar op m'n gemak naar de Oude Kerk te lopen. Bij gebrek aan gelovigen is de oudste kerk van Amsterdam tegenwoordig een expositieruimte, op wiens verzoek de Ghanese beeldend kunstenaar Ibrahim Mahama de gigantische installatie Garden of Scars heeft gemaakt waarmee hij zegt de mondiale geschiedenis van handelsroutes, migratiestromen en globalisering te willen onderzoeken. Gelijktijdig wordt door hem het door Nederlanders met de bewoners van voormalige Goudkust en Slavenkust gedeelde verleden onder de aandacht gebracht. Voordat ik op de trein was gestapt, had ik dat met Ghana gedeelde verleden via mijn boekenkast en knipselarchief al vast wat doorgebladerd. In de inleiding tot De Afrikaanse brieven van Willem Godschalck van Focquenbroch wordt het hoe en waarom van de oprichting van de West-Indische Compagnie als tegenhanger van de zo succesvolle op Azië gerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie kort en krachtig toegelicht: Beide compagnieën hadden een offensieve functie in de Tachtigjarige Oorlog van de Republiek der Verenigde Nederlanden tegen Spanje: ze moesten de Spanjaarden en de aan hen onderhorige Portugezen dwarszitten, hen uit hun koloniën verdrijven en hun handelscontacten overnemen. Dat verklaart waarom de WIC pas in 1621 werd opgericht. Toen liep namelijk het Twaalfjarig Bestand af en konden de vijandelijkheden worden hervat met onder andere de verovering op de Portugezen van São Jorge da Mina.

Toen Godschalck van Focquenbroch in 1668 bij de WIC in dienst trad, lag het zwaartepunt van hun activiteiten in Elmina waar de handel in mensen, de slavenhandel, de handel in goud en ivoor inmiddels overtrof. De Goudkust en de Ivoorkust waren qua inkomsten verdrongen door de Slavenkust, zoals Europeanen destijds de diverse gebieden in die regio hadden benoemd naar het belangrijkste product dat ze er vandaan haalden. Zo werden er vooral door Hollanders en Zeeuwen in de loop van de tijd via Elmina mensen verhandeld, cadeau gedaan aan koning Willem I - lees Arthur Japin's De zwarte met het witte hart -, in Nederland opgeleid tot predikant (Jacobus Capitein) en uiteindelijk denegerrekruten, nadat het vestigen van het Nederlands gezag in wat nu Indonesië is met Europese militairen nogal moeizaam verliep en uit de tropen afkomstige militairen heel wat beter geschikt leken te zijn om in dat klimaat die klus te klaren. Voor het gemak kregen ze eenvoudige Nederlandse namen, iets dat mooi is terug te lezen én te zien in Zwarte Hollanders: Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië van historicus Ineke van Kessel. In deze diepgaande studie staan twee illustraties die dat onderstrepen: de door Johan Coenraad Leich geschilderde korporaal Jan Kooij en de gewonde Kees Pop van Isaac Israëls. Beiden zouden in 1882 zijn geportretteerd in het Harderwijkse Koloniaal Werfdepot.

wordt vervolgd