TERUG NAAR ELMINA - 2 (10052023)

De vloer van de Amsterdamse Oude Kerk is nogal ongelijkmatig “betegeld” met grafstenen, iets dat bewijst dat het echt een oude kerk is, want begraven in een kerk is al meer dan tweehonderd jaar verboden. Hoewel ik me uit mijn streng christelijke jongere jaren meen te herinneren dat iedereen in de ogen van onze Lieve Heer gelijk zou zijn, werd dat door de kerkbestuurders van toen ietwat anders gezien: slechts welgestelde gelovige doden konden zich de duurdere graven dichtbij het altaar – of de preekstoel - permiteren, de minder draagkrachtigen kregen een plekje dichterbij de buitenmuur. Kerk vol, dan was er vaak ruimte voor een graf in de tuin, het kerkhof dus. Toen tegen het einde van de 18e eeuw het besef groeide dat begraven in een kerk onhygiënisch was en besmettingsgevaar opleverde, leidde dat uiteindelijk tot het verbod om in kerken en zelfs binnen de bebouwde kom van een stad of dorp te begraven. Dat werd in Nederland in 1829 wettelijk vastgelegd, de begraafplaats was geboren. Tijdens mijn leven heb ik echter kunnen zien hoe door de bevolkingsgroei en de daardoor veroorzaakte stadsuitbreiding veel van die begraafplaatsen sindsdien weer binnen de bebouwde kom zijn komen te liggen. Toen mijn ouders in 1957 van Hoogte 80 in Arnhem-Monnikenhuizen naar Rotterdam-Carnisse op de zuidelijke Maasoever ietsje onder het zeeniveau verhuisden, was aan de andere kant van het net aangelegde Zuiderpark Rotterdam-Pendrecht in aanbouw en lag de Zuiderbegraafplaats nog buiten de bebouwing. Als ik tegenwoordig vanuit Frankrijk via Brussel, Antwerpen, het Rotterdamse Zuidplein en de Maastunnel naar mijn pied-à-terre rijd, ligt ter hoogte van de Vaanweg de in de loop der tijd aan de ene kant door Rotterdam-Lombardijen en aan de andere door Rotterdam-Zuidwijk al lang weer door de woningen ingesloten begraafplaats.

In de zomer van 1964, met het diploma op zak van een tot kort daarvoor niet bestaande opleiding waar iedereen die van een andere school was afgestuurd werd toegelaten, solliciteerde ik in het pre-digitale tijdperk bij het Rotterdams Nieuwsblad, de krant waarop mijn ouders waren geabonneerd. Ik wilde journalist worden. Tijdens dat gesprek werd ik met de harde realiteit van het volwassen leven geconfronteerd. Degene die zo vriendelijk was geweest mij te ontvangen, vertelde me dat de minimum vereiste om als leerling-journalist in dienst te worden genomen het diploma van een middelbare school was, dat ik niet had. Hij vertelde me dus nogal omslachtig dat ik een enigszins domme jongen was met weinig kans op het werk dat ik zo graag wilde gaan doen. Het Rotterdams Nieuwsblad fuseerde in 1991 met de lokale Volkskrant en heette daarna het Rotterdams Dagblad dat vervolgens in 2005 ter ziele ging. Ik schrijf en publiceer nog steeds. In een krantenknipsel uit die krant van 30 juni 2001, de vooravond van de viering van de officiële afschaffing in Nederland van de slavernij in 1863, lees ik het verslag over zijn werkbezoek aan Elmina van redacteur Dirk Mellema. Hij liep mee met Wallace Kwaw die een groep Afro-Amerikanen rondleidde aan wie hij uitgebreid vertelde hoe het er destijds in het Nederlandse slavenfort aan toe zou zijn gegaan. Geen erg florisante verhalen over de omstandigheden en de behandeling tijdens het mogelijke verblijf van hun voorouders. Mellema viel natuurlijk op door zijn afwijkende bleke huidskleur – iets dat ik uit eigen Afrikaanse ervaring ken – het verbaasde me dan ook niet dat de Amerikanen hem vroegen waar hij vandaan kwam en het verbaasde me ook niet dat hij eerlijk antwoordde uit Nederland te komen en het verbaasde me evenmin dat het toen foute boel was. Hij was daar immers de verpersoonlijking van alles wat hun slaafgemaakte voorouders in Elmina en daarna hadden moeten ondergaan.

Hoogste tijd voor Mellema voor een tegenoffensief en relativering. Heel eenvoudig door aan Wallace Kwaw de vraag te stellen hoe de Nederlanders van het fort destijds aan de slaven kwamen en dan te rekenen op een eerlijk antwoord. Een antwoord dat hij natuurlijk al kende. De rondleider gaf de andere kant van het verhaal inderdaad feitelijk weer: Nee, de Nederlanders gingen niet zelf op zoek naar slaven, die slaven kochten ze en die werden keurig afgeleverd. Door wie? Het waren veelal krijgsgevangenen van oorlogen tussen de koninkrijken in de regio, de Koning van de Ashantis was hun hofleverancier. Dus, zo zeurde de journalist nog even door, de Nederlanders kregen de slaven aangeleverd door andere Afrikanen? Hetgeen door de begeleider van de Afro-Amerikanen werd bevestigd en die hij daarmee een enorme schok bezorgde. Tja, het was gewoon handel waar beide partijen goed aan verdienden. Toen ik het artikel herlas, moest ik best even lachen, vooral om de ontzetting van de Afro-Amerikanen en zal gelijk bekennen waarom. In de jaren dat ik in Lagos woonde en zowel professioneel als sociaal veel met Nigerianen omging, kwam het onderwerp slavernij wel eens aan de orde. Ik kan me niet één keer herinneren dat daar moeilijk over werd gedaan, af en toe was er zelfs een soort jaloerse reactie: Ik wou dat mijn voorouders als slaven naar de US waren verkocht, dan zou ik nu tenminste een Amerikaans paspoort hebben .....

wordt vervolgd