|
DE REUS VAN ROTTERDAM (09082023) Tegen het eind van wat achteraf de koudste en natste augustusdag bleek te zijn sinds weerkundigen begonnen met het regelmatig bijhouden van neerslag en temperaturen, ga ik in de zwaar bewolkte vooravond tussen de buien door op zoek naar Wijkpark Het Oude Westen in het gelijknamige Rotterdamse stadsdeel. Door het oudste deel ervan dat aan lange zijden wordt begrensd door de winkels en horeca van de Nieuwe Binnenweg en de West-Kruiskade en aan de kortere zijden aan de ene kant door de langs de Tunneltraverse gelegen statige huizen van de 's-Gravendijkwal en een kort stukje Mathenesserlaan en aan de andere kant door de toch wel chiquere herenhuizen die langs het water en de beeldenroute van de Westersingel staan. Geen twee panden met dezelfde voorgevel langs de boulevardachtige weg, kade, laan, wal en singel die er, dat is tenminste mijn vermoeden, voor moesten zorgen dat de arbeiderswoningen uit het eind van de 19e en het begin van de 20ste eeuw in de smalle straten erachter buiten beeld bleven. Het was in de tijd dat Rotterdam door de sterk toenemende aktiviteit in de haven behoorlijk last had van groeistuipen waarvoor veel nieuwe havenwerkers werden gerekruteerd die hoofdzakelijk uit Brabant en Zeeland afkomstig waren, ergo binnenlandse arbeidsmigranten. Zij en hun gezinnen hadden een dak boven hun hoofd nodig en kregen dat in de smalle hoge huizen die waren gebouwd met de door mij zo bewonderde bakstenen van rode rivierklei. De voor- en achtergevels stonden zo dicht tegenover elkaar, dat wat er bij de over- en achterburen gebeurde zonder veel moeite kon worden gevolgd. Aldus werd dit deel van Rotterdam meer dan een eeuw geleden al een migrantenwijk. Een tweetal beelden uit mijn heel wat jongere jaren nadat mijn ouders van Nijmegen via Arnhem in 1957 naar Rotterdam waren verhuisd: in het grote bedrijfspand op de hoek van de Nieuwe Binnenweg en de Gouvernestraat, in een deel waarvan sinds een paar jaar de lulligst denkbare kleine super van AH zit, ontdekte ik toen de grote showroom van Garage Pietersen. Pietersen was in die tijd de dealer van ongelooflijke Amerikaanse auto's – sleeën in de volksmond – van merken als Buick, Bedford, Chevrolet en zo, geïmporteerde auto's die zo duur waren dat ze alleen maar konden worden gekocht door mensen die het zich financieel moeiteloos konden permitteren en dat waren zeker niet de bewoners van de wijk er achter. Zo kocht mijn oom Jan Siebe de Jong, in de jaren 30 van de vorige eeuw als arbeidsmigrant vanuit het Friese Harlingen naar Rotterdam gekomen, er af en toe een nieuwe Chevrolet Impala, zijn favoriete auto. Hij was getrouwd met tante Froukje, het jongste zusje van mijn Oma, die met zijn zakenpartners in de jaren na de oorlog goed geld verdiende tijdens de wederopbouw van de stad. Als enige kleinzoon van hun enige dochter logeerde ik in de vakanties meestal bij mijn grootouders in Nijmegen en soms verbleven Oom Jan en Tante Froukje dan een dag of twee, drie vlakbij in Hotel Erica in Berg en Dal en werden wij in die slee opgehaald om er koffie en limonade te komen drinken en/of wat te eten. Voor mij als 7 of 8 jarige was het heel bijzonder om mee te mogen rijden in een auto omdat de weinige mensen die toen een auto hadden per definitie rijk moesten zijn, hoewel ik geen flauw benul had wat dat precies betekende. Naderhand zou ik halverwege de jaren 60 noodgedwongen op een tussen de Mathenesserlaan en de West-Kruiskade op een pleintje aan de 's-Gravendijkwal drie avonden in de week naar de avond-HBS gaan. In dat voormalige schoolgebouw huist ondertussen al weer jaren een broedplaats en makersplek voor kunstenaars en organisaties, met een focus op muziek en dans. Andere tijden. Tijdens het schoonmaken van mijn Rotterdamse pied-à-terre, door het slechte weer had ik niets beters te doen, verscheen tot mijn verrassing onverwacht de Reus van Rotterdam. Want ja, dat pas onthulde beeld voor het Centraal Station van die 4 meter grote Afrikaanse vrouw was niet het eerste reuzenbeeld in de stad, ergens in het het Oude Westen zou een beeld van de Reus moeten staan. Het staat, zo ontdek ik op het internet, in een park ergens op de hoek van de Gouvernestraat en de West-Kruiskade, hooguit een kwartiertje verderop. Een mooie gelegenheid om dwars door het stadsdeel heen te lopen om te bekijken hoe de straten er uitzien nadat in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw de stadsvernieuwing er had toegeslagen. Dat wil zeggen dat wat de Duitsers op 14 mei 1940 tijdens het bombardement van de stad links hadden laten liggen, door stadsvernieuwers en architecten die er zelf niet zouden gaan wonen, woningbouwverenigingen, actievoerders en de ingehuurde slopers werd goedgemaakt: grootscheepse sloop om de arbeiderswoningen van weleer plaats te laten maken voor wat ondertussen sociale woningbouw heette. wordt vervolgd |