|
DE REUS VAN ROTTERDAM - 2 (22082023) Linksaf bij het klassieke hoekpand op de Nieuwe Binnenweg, waarin het Vlaamsch Broodhuis een winkel heeft met foeilelijke horecanieuwbouw als overburen, de van Speykstraat in. Die is, zo weet ik vrijwel zeker, vernoemd naar onze vaderlandse zeeheld Jan van Speijk. Dan liever de lucht in is de beroemde uitspraak die hij op 5 februari 1831 tijdens de Belgische revolutie voor de kade in Antwerpen deed toen hij er de voorkeur aan gaf om zijn niet eens zo erg bedreigde oorlogsschip liever op te blazen dan het in handen van de opstandige Antwerpenaren te laten vallen. Soortgelijke woorden moeten door de hoofden van de stadsvernieuwers en actievoerders hebben gespeeld die elkaar rond 1970 in de haren vlogen over hoe het oudste deel van het Rotterdamse Oude Westen eruit zou moeten gaan zien. Stadsvernieuwers wilden flinke delen ervan laten slopen om plaats te maken voor kantoorgebouwen en woontorens, actievoerders wilden, zo dat mogelijk was, de huurwoningen aanpassen aan de eisen van die tijd en slechts indien dat absoluut niet anders zou kunnen door sloop en nieuwbouw. Als je door de wijk loopt zie je al gauw dat de actievoerders het destijds van de stadsvernieuwende bureaucraten hebben gewonnen. Na de lelijke nieuwbouw aan de kop van de straat loop ik vrijwel gelijk na het KINDERHUIS uit 1886 langs de Lees-Zaal-Lees over het Rijnhoutplein. Het is een zogenaamd doorbraakplein dat is vernoemd naar de REUS naar wiens beeld ik op zoek ben, die volgens de burgerlijke stand Rigardus Rijnhout heette, en met ietsje verderop nog zo'n plein dat doodeenvoudig heet naar wat het is: Doorbraak. Tussen de Nieuwe Binnenweg en de West-Kruiskade werden oorspronkelijk alleen maar lange smalle straten zonder verbindende zijstraten aangelegd. Uiteraard met de bedoeling om er zoveel mogelijk woningen te bouwen die zo hoog waren als de heipalen het in die tijd toelieten: vijf verdiepingen, hooguit zes. Nadat mijn ouders vanuit het oosten des lands naar Rotterdam waren verhuisd, zag ik voor het eerst van mijn leven een heimachine, toen nog een stoommachine. Daarin werden één voor één lange rechte naaldboomstammen gehesen, die daarna de zachte grond in werden geslagen met harde klappen op de kop van een zwaar heiblok dat door een man met in iedere hand een stevig lang touw werd bediend. Er zat een bepaald ritme in de klappen en er ontsnapte bij iedere klap een pluimpje stoom uit het heiblok, het was een fascinerende kennismaking met een andere wereld. Want waar wij tot dan toe hadden gewoond werden er slechts wat ondiepe sleuven in het zand gegraven voor een fundering, meer niet. En dan te bedenken dat wij na de verhuizing naar Rotterdam in de schaduw van de Zuidpleinflat kwamen te wonen, een ongeveer 45 meter hoog gebouw van 13 verdiepingen dat destijds het hoogste van Europa was. Terwijl ik tegenwoordig vanaf het balkon van mijn vaderlandse pied-à-terre in de verte het hoogste gebouw van de Benelux kan zien: de 215 meter hoge Zalmtoren. Beter is de enorme ontwikkeling die de funderingstechniek sindsdien heeft doorgemaakt niet te illustreren. Hoewel er in de straten waar ik vanavond doorheen loop daarvan niets is te zien: geen enkel recent gebouw of pand dat hoger is dan de ruim 100 jarige oudbouw die aan de sloop ontsnapte. Vlak na het Rijnhoutplein is de door de actievoerders destijds afgedwongen Doorbraak, via welke je dwars door de wijk naar de Gouvernestraat kunt lopen. Als je, zoals ik vanavond, op het Adrianaplein begint, zou je gewoon door die lelijkst denkbare nieuwbouw van ruim 50 jaar geleden te volgen bijna vanzelf bij het wijkpark terecht komen waar het beeld van de Reus zou staan. De vernieuwbouw is makkelijk te herkennen: geen gevels van donkerrode bakstenen, maar van die lelijke in de herbouwtijd populaire crèmekleurige geglazuurde stenen. Links en rechts veel satellietschotels op de balkons en aan de gevels, die benadrukken dat het Oude Westen nog altijd een wijk is waar veel arbeidsmigranten wonen. Niet langer afkomstig uit Brabant of Zeeland, volgens de naambordjes naast de voordeuren vooral nogal wat uit Turkije en Marokko die, ondanks de doorbraakpleintjes met wat groen, net zo opeengepakt wonen als hun voorgangers lang geleden. Welstandscommissies en anderen die een bouwvergunning voor de hernieuwbouw moesten beoordelen wilden vast en zeker niet nog meer gezeik van actiegroepen en dergelijke en vonden het verder wel goed zo. Het Toni Koopmanplein en het Gerrit Sterkmanplein zijn vernoemd naar twee van die aan het Oude Westen verknochte activisten om passanten zoals ik eraan te herinneren aan wie deze lelijkheid mede is te danken. Hoewel, na het lezen van de bio van Sterkman, die door mede-activisten wordt beschreven als een dichtende metaalarbeider en activist, moet ik toegeven dat hij wél recht heeft op een eigen plein in zijn oude woonwijk. In ieder geval stukken meer dan stadsvernieuwer Toni Koopman die uit de wijk verhuisde kort nadat was begonnen met het zo afzichtelijke stadsvernieuwen. slot volgt |