ER IS MAAR ÉÉN KAREL 1 – 2 (24102023)

Henri van Abbe, kunstverzamelaar en grondlegger van het van Abbemuseum, verdiende in de eerste helft van de vorige eeuw erg veel dankzij de kopers van zijn sigaren. Die lieten hun geld dus letterlijk in rook opgaan. Van Abbe investeerde het geld in zijn sigarenfabrieken, ooit de op één na grootste werkgever in Eindhoven en omgeving, en kocht er schilderijen mee van toentertijd hedendaagse kunstenaars als Kees van Dongen, Jan Sluyters en Leo Gestel. Het roken van sigaren of sigaretten of op tabak pruimen, was iets waar ik mijn allerjongste jaren erg naar uitkeek, omdat ik dacht dat als je dat deed je zo'n beetje als een man zou worden gezien. Mijn Nijmeegse opa, die zowel pruimde als sigaren rookte, en mijn vader, die een stevige roker was, waren mijn voorbeelden. Nadat mijn ouders vanuit Nijmegen naar Arnhem waren verhuisd, logeerde ik als enige zoon van hun enige dochter tijdens de schoolvakanties regelmatig bij mijn grootouders. Mijn gepensioeneerde grootvader ging dan af en toe in zijn luie stoel zitten, haalde een plukje van iets roodachtigs uit een papieren zakje, stak dat in zijn mond. Je kon aan de beweging van zijn kaken zien dat hij erop kauwde en aan de beweging van zijn wangen dat het van links naar rechts en omgekeerd ging. Onder zijn stoel stond een potje waarin hij af en toe wat rood vocht uitspuugde. Pas achteraf heb ik geleerd dat het potje een kwispedoor was en die rode spuug een fluim. Een sigaar opsteken deed hij slechts af en toe na de warme maaltijd en op zon- en feestdagen. Dat mijn vader nicotineverslaafd was, ontdekte ik pas nadat mijn ouders naar Rotterdam waren verhuisd en ik al 11 jaar was. Dat kwam omdat mijn vader, die Rijksambtenaar was, iedere keer als we net waren verhuisd opnieuw werd overgeplaatst en het door de naoorlogse woningnood niet meeviel om een andere stad een huurhuis te vinden. Nog maar net waren we van de Coehoornstraat 39 in Nijmegen naar de Roekenstraat 51 in Arnhem verhuisd, toen hij alweer naar Utrecht werd overgeplaatst waar hij een vervolgopleiding moest gaan volgen en alleen zaterdagmiddag thuiskwam en dan maandagochtend vroeg weer vertrok. Iedere dag Arnhem – Utrecht vice versa met de trein zat er niet in. Na die opleiding werd Rotterdam zijn standplaats en ging hij aan de slag in het belastingkantoor aan de Puntegaalstraat, die in de volksmond de Plukmekaalstraat werd genoemd. Zodoende bleven we, op twee weekeinden in de maand na, nog eens ruim twee jaar een éénoudergezin totdat er eindelijk opnieuw een huurhuis was gevonden.

Aan het begin van de zomer van 1957 verhuisden we van de Roekenstraat 51 in de wijk Monnikenhuizen achter Hoogte 80 in Arnhem naar de Goereesetraat 96c in de Eilandenbuurt van de wijk Carnisse in Rotterdam Zuid. Na ik weet niet hoeveel jaar zat mijn vader 's ochtends zowaar weer iedere dag met ons aan de ontbijttafel, maar niet om gezellig met zijn gezin te ontbijten. Hij ging half aangekleed aan het hoofd van de tafel zitten, zette zijn scheerdoos voor zich neer en een bekertje warm water ernaast, stak een sigaret op, haalde zijn scheermes. scheerkwast en scheerschuim tevoorschijn, opende de scheerspiegel en begon al rokend zijn wangen en hals in te zepen om die daarna glad te scheren. Iedere dag opnieuw. Wat stonk die sigarettenrook, waaraan mijn zussen en ik 's ochtends vroeg zo vlak na het opstaan niet waren gewend, allejezus vies in die niet al te grote huiskamer. Na het zondagse middagmaal werd er dan ook nog eens een sigaar opgestoken die, toegeven, wel wat lekkerder rook dan die vroege ochtend sigaretten. Het was niet anders. Meneer Bos, de benedenbuurman, werkte bij van Nelle waar behalve koffie veel shag vandaan kwam – vooral de zware van Van Nelle - en meneer Bammens daar weer onder, die als kraanmachinist bij de Holland-Amerika Lijn op de Wilhelminapier werkte, draaide, zoals zoveel havenarbeiders, die zware tabak in Mascotte vloeitjes en rookte dan sjekkies. Die keken wel een beetje op mini-bolknaksigaartjes, het was iets dat ik voor het eerst van mijn leven zag en rook. Geloof dat ik toen voorgoed ben genezen van het idee dat je moest gaan roken om een echte man te worden. Het waren de jaren dat er nog in iedere buurt sigarenwinkels bestonden en dat ik kennis maakte met de sigarenreclame voor Er is maar één Karel 1, zonder te weten dat die uit de fabriek van de inmiddels wijlen Henri van Abbe kwamen. Toen mijn vader zich na een paar promoties duurdere sigaren kon veroorloven, stapte hij, om iedereen om zich heen te laten zien dat het hem goed ging, gelijk over naar de uit het Cubaanse faillisement geredde Carl Upmann sigaren. Die werden tenminste in een keurige houten doos verkocht in plaats van dat lullige blikken doosje van Karel 1. Aan dat alles word ik herinnerd in de kleine aan Henri van Abbe gewijde zaal – met portret en al - in het door hem in Eindhoven gebouwde museum.

wordt vervolgd