ER IS MAAR ÉÉN KAREL 1 – 5 (15112023)

Blikvelden – de aard van het leven heeft het van Abbemuseum de zaal gedoopt waarin het door mij gezochte afvalkunstwerk van Michael Rakawitz te zien moet zijn. Nou, nou. Over die naam heeft iemand ongetwijfeld lang nagedacht, is het idee vervolgens getoetst door de museumhiërarchie, wie weet heeft zich er daarna nog een werkgroep over gebogen en is Blikvelden - de aard van het leven, tenslotte goedgekeurd. Eerlijk gezegd had ik het interesseert mij geen ene reet!! willen schrijven, maar schrijf toch maar keurig netjes het zegt me echt helemaal niets. Om te beginnen hangen er schilderijen die je niet alleen kunt zien, maar ook zou kunnen ruiken door een kaartje, formaat boekenlegger, dat erbij hangt te pakken, daarop te krassen en dan te ruiken wat je ziet. Iets dat mij erg aanspreekt. Waarom? In de serre van het huis aan de Javastraat 4 in Nijmegen, waar mijn grootouders van moederskant ooit woonden, had mijn opa Sipke de Groot zijn schildersatelier. Ik keek heel erg tegen hem op vanwege het grote blauwe anker dat hij in zijn jonge jaren, toen hij tegen het eind van de 19e eeuw een paar jaar zeeman was, op de bovenkant van zijn rechterhand had laten tatoeëren. Niet te vergeten: het was in mijn jongste jaren vrij zeldzaam, dus nogal bijzonder, als iemand een zo duidelijk zichtbare tatoeage had. Superstoer vond ik het. Geen wonder dat op veel van zijn schilderijen schepen staan afgebeeld, op volle zee of in een havengezicht. Het was een slordig atelier met altijd wel een schilderij in wording op de met olieverf bekladde houten schildersezel, wat niet gesigneerde vrijwel “affe” doeken en wat gesigneerde en, al dan niet ingelijste “affe” doeken die tegen de achterwand hingen of op de vloer stonden. Op een tafel wat glazen potjes met terpetijn om de gebruikte penselen schoon te maken en droge glazen potjes waarin de schone penselen met de kwast naar boven stonden te wachten totdat hij ze nodig zou hebben. En dan was er zijn schilderskist met ontelbaar veel en soms slecht afgesloten tubes olieverf waardoor die, als de klep omhoog stond, v-e-r-r-u-k-k-e-l-ij-k lekker rook. Weet niet meer hoe dat ding ooit bij mij terecht is gekomen, wat ik nog wel weet is dat toen mijn grootouders op een gegeven moment naar een bejaardenhuis gingen verhuizen ik die kist in de staat zoals mijn opa die achter moest laten per se wilde hebben. Én nog altijd heb. Hij staat in de, dankzij de buizen van de stadsverwarming, kurkdroge kelder van mijn vaderlandse pied-à-terre waar ik heel af en toe heen ga, de kist open doe, mijn ogen sluit, heel diep door de neus inadem en dan die heerlijke geur van echte olieverf weer ruik en me dan kort even terug waan in de serre van mijn grootouders van hééééél lang geleden. Eigenlijk geen wonder dus dat de geur die de kaartjes in het van Abbemuseum afgeven, zelfs na heel fanatiek krabben, nergens op lijkt. Zo ruikt Charley Toorop's sobere figuratieve Volkslogement alles behalve naar de beloofde “ietwat donkere maar bloemige geur”, le Bain des Vagabonds, een homo-erotisch doek van Jean Brusselmans absuluut niet naar het ”frisse en toch rokerige aroma” en de wel wat trieste maar kleurrijke Siciliaanse jaarmarkt van Gé Röling in de verste verte niet naar “frisse lentegeuren”. Geen wonder dat de museumsubsidies omlaag gaan.

Na Piet Mondriaan's bijna net zo kleurrijke abstracte toneeldecor maquette voor l'Éphémère est éternel, is daar eindelijk de zaal met het afvalkunstwerk – of zou het een recyclekunstwerk moeten worden genoemd? - waar ik naar op zoek was. Voor het raam, met uitzicht over de museumvijver, staat een klein model van Tatlin's Tower, het door Vladimir Tatlin ruim 100 jaar geleden ontworpen monument voor de oprichtingsconferentie van de Derde Internationale oftewel Komintern, een door de Sovjet-Unie geleid samenwerkingsverband van communistische partijen. Het had 400 meter hoog moeten worden! Stel je voor: dat was in 1919 toen de Parijse Tour Eiffel met zijn 317 meter al ruim 30 jaar het hoogste bouwwerk in Europa was. Tatlin's toren, waarvoor als belangrijkste bouwmaterialen metaal, glas en staal nodig waren, had de vorm van een dubbele helix, een dubbele spiraal. Zijn idee was destijds overmatig ambitieus en is nooit uitgevoerd omdat in de post-revolutionaire Sovjet-Unie simpelweg de grondstoffen ervoor ontbraken en omdat er geen geld voor was. Midden in de zaal staat Michael Rakawitz' alles behalve 400 meter hoge, maar in ieder geval zo'n beetje tot het plafond reikende White man got no dreaming dat erop gebaseerd zou zijn. Een variatie op hetzelfde thema?? Mmmm, ja, toch wel. Rakawitz gebruikte er sloopmaterialen van een Australisch aboriginal huis voor, zoals afvalhout, kabels, koperdraad, golfplaat en dergelijke. Zijn object lijkt voor de museumbezoeker zonder verdere achtergrond informatie over Tatlin's Tower ongetwijfeld een hartstikke origineel idee. Wat mij betreft is het en blijft het echter JATWERK. Het is zonder meer goed jatwerk, maar desondanks jatwerk. Punt uit!

wordt vervolgd